'De pers wilde van ons af en kijk, dat is haar uiteindelijk goed gelukt'; Korpschef Wiarda over IRT-affaire en zijn transfer

UTRECHT, 12 OKT. Het beeldje staat op de vensterbank, achter de gordijnen. Het is de Machiavelli-prijs, die de Utrechtse korpschef J. Wiarda en zijn collega's Nordholt (Amsterdam), Hessing (Rotterdam) en Brand (Den Haag) eind 1993 in ontvangst mochten nemen wegens hun “grensverleggende communicatieve optreden”.

Wiarda denkt met weinig vreugde terug aan het moment, “een keerpunt” noemt hij het. “Het was een grapje, een prijs van niks”, zegt hij. Hij gruwt nog steeds van de foto - vier mannen-van-stavast op een rij - die het plechtige moment markeerde. “Ik zag al die fotografen op de grond kronkelen om ons zo macho mogelijk te portretteren. Het was een top-act voor de media. De pers wilde van ons af en kijk, dat is haar uiteindelijk goed gelukt.”

Het ereschavot veranderde in een guillotine. De korpschefs rolden enkele maanden later ruziënd over straat naar aanleiding van de ontbinding van het interregionaal rechercheteam (IRT), waarbij Wiarda de aandacht op zich vestigde door de Amsterdamse politietop van corruptie te beschuldigen. “Binnen enkele maanden hing er een rellerige sfeer om ons heen die samenviel met de behoefte van de gezaghebbers om ons een slot op de mond te doen. Ik kon 't heel goed begrijpen dat de mening postvatte dat een ambtelijk apparaat als de politie politiek-bestuurlijk moet worden geleid. Ik heb er in overleg met mijn korpsbeheerder Opstelten voor gekozen er verder het zwijgen toe te doen.”

Na twee jaar stilzwijgen werd echter onveranderlijk een negatief beeld van Wiarda geschetst toen enkele weken geleden zijn promotie naar Den Haag bekend werd. De binnen politiekringen nog altijd hoogaangeschreven korpschef werd afgeschilderd als de man die zijn collega's onterecht corruptie in de schoenen schuift, winkeliers aanmoedigt inbrekers af te tuigen met een honkbalknuppel, en overigens van opvatting is dat alle drugs vrijgegeven moeten worden. “Vooral in zijn voortdurende reproduktie zint dit negatieve imago mij niet. Ik heb er geen bezwaar tegen dat mijn nadrukkelijke, duidelijke uitspraken in herinnering worden geroepen. Maar ik ben ook een politiechef die vernieuwend is geweest op het gebied van politiemanagement, die nadenkt over zijn vak. De weergave van mijn daden in de pers is soms te selectief”, zegt hij koeltjes. “Probleem is alleen dat mijn uitspraken steeds verkort, ongenuanceerd en uit zijn verband gerukt in de media terugkeren.”

Het kondigde zich de laatste jaren al aan, en Wiarda bevestigt het volmondig. Het is uit met de korpschefs die geen praatprogramma overslaan om de politiek voor de laatste maal te waarschuwen. “In reactie op ons te nadrukkelijke optreden toen we door de media werden gebruikt als geprononceerde talking heads, stappen we nu een nieuw tijdperk in.”

Volgens Wiarda moet de politie bovendien anders gaan werken. “In de jaren tachtig zijn als gevolg van onze behoefte aan vernieuwing politiemensen zich te zeer gaan gedragen als wijkopbouwwerker. Dat willen we niet meer.” Hij maakt de analyse nadrukkelijk, hoewel uitgerekend Wiarda samen met Straver (Haarlem) en Nordholt eerder in een spraakmakend rapport uit 1977 (Politie in verandering) ijverden voor de 'sociale welzijnsfunctie' van de politie. Maar het beklemtonen van het belang van de wijkagent kwam nogal ongelegen in een periode dat criminelen royaal investeerden op de Nederlandse misdaadmarkt. “De slinger slaat terug. We maken nu een doorbraak richting de samenleving en zoeken partners in veiligheid. Agenten moeten zich richten op hun core business: de sterke-armfunctie. De politie gaat voor veiligheid in samenwerking met actoren als de overheid, het bedrijfsleven, sportvereningen, kerken en moskeeën.”

Intussen wordt de huidige generatie politieleiders door elkaar gehusseld in wat de 'carrousel' is gaan heten. Sommigen haken af - Hessing uit Rotterdam vertrok naar de diplomatieke dienst. Nordholt en Brand hebben nog een jaar te gaan. Alleen Wiarda mag comfortabel verder draaien: hij heeft “ingestemd met in principe vijf jaar Haaglanden”.

“Ik vind de carrousel een belangrijke en goede ontwikkeling. Het is een logisch gevolg in het streven naar één Nederlandse politie. We moeten voorkomen dat korpsen in hun isolement alleen met zichzelf bezig zijn, daarom is het zo goed dat het topmanagement rouleert”, zegt Wiarda.

Voor hemzelf kwam het aanbod om naar het grotere korps Haaglanden over te stappen, terwijl hij met vakantie was op Sicilië, als een verrassing. “Ik heb erover nagedacht en zag veel onzekere punten. Als ik me bereid toonde over te stappen naar Den Haag kon ik ongetwijfeld weer onder publicitaire druk komen te staan.”

De kritiek dat uitgerekend hij, die de lont in het kruitvak stak, nu een promotie krijgt, vindt Wiarda overtrokken. “Je kunt de boodschapper altijd vermoorden. Als ik het niet gedaan had, had iemand anders gesignaleerd dat er een crisis in de opsporing was. Mijn punt van strijd was: de ontbinding van het IRT kan zo niet. Maar ik ben te ver gegaan, zoals ik eerder al heb aangegeven.”

Nota bene op de dag dat Wiarda zijn promotie in Den Haag met Dijkstal had besproken, had hij 's avonds bij hem thuis een eetafspraak met het echtpaar Nordholt. Een verzoeningsritueel waar de twee kemphanen geroutineerd in zijn geraakt. Nordholt feliciteerde Wiarda allerhartelijkst en gaf de Utrechtse korpschef nog een paar wijze lessen. “Concentreer je op de business, zei Eric. Zet alles op veiligheid. Laat je niet afleiden.”

Het is in vruchtbare aarde gevallen. De discussie over Wiarda's grote thema - de liberalisering van de handel in en het gebruik van drugs - zal het voortaan met een andere voorvechter moeten stellen. “Mijn bemoeienis met dit debat heeft in de internationale verhoudingen heel scherpe effecten. Als ik me als korpschef over drugspolitiek uitlaat wordt onze minister-president er door de Franse president op aangesproken. Dat zijn disfunctionaliteiten die ik niet meer wil oproepen.”