De flexiprof

AAN DE UNIVERSITEIT van Amsterdam hebben ze weer eens nagedacht over het instituut 'hoogleraar'. Dat doen ze daar wel vaker en het is iedere keer weer goed voor wat krakeel in de media. Een jaar of vier, vijf geleden had een werkgroep bijvoorbeeld bedacht dat voortaan de universitaire hoofddocent zich in het buitenland (lees: de Verenigde Staten) zou mogen tooien met de titel van 'assistant-professor'.

Van dat voorstel is nooit meer wat vernomen en terecht: de gemiddelde Nederlandse uhd zou aan de overkant van de Atlantische Oceaan allang 'full professor' zijn geweest, terwijl assistant-professor ongeveer overeenkomt met universitair docent in tijdelijke dienst. Het is de laagste rang in het Amerikaanse systeem - als we even voorbijzien aan de onderklasse van 'teaching assistants' en 'language instructors'.

Vervolgens kwam de Universiteit van Amsterdam op de proppen met het instituut van de 'universiteitsprofessor'. Mijn kennis van dit instituut beperkt zich tot mijn herinnering aan krantenberichten: universiteitsprofessoren zijn geniale geleerden die vooral niet belast mogen worden met de normale rompslomp van onderwijs en organisatie en extra betaald worden om toch vooral te doen waar ze zelf zin in hebben. Onder die voorwaarden stappen de uitverkorenen wel over het bezwaar van een pleonastische titel heen.

Nu heeft weer een commissie bedacht dat de gemiddelde gewone hoogleraar, in tegenstelling tot zijn of haar geniale collega, hooguit tien of vijftien jaar als hoogleraar kan functioneren. Omdat het ook niet aangaat deze opgebrande en uitgebluste figuren bij het oud vuil te zetten, mogen ze hun laatste jaren tot het pensioen uitdienen als universitair docent. In het oude China was een veroordeling tot castratie een dringende aansporing om zelfmoord te plegen: de terugzetting in rang en salaris tot universitair docent is een wat vriendelijker geformuleerd verzoek ontslag te nemen.

Het voorstel van de Universiteit van Amsterdam oogt doortastend en ingrijpend, maar lost de eerste twintig jaar natuurlijk niets of weinig op. Het verandert niets aan de positie van de zittende hoogleraren. Voordat de rechtspositionele regelingen zijn aangepast voor nieuwe benoemingen zijn we in dit land een aantal jaren verder en pas dan kunnen de flexiprofs worden aangesteld. Er zijn weinig redenen om aan te nemen dat ze het zoveel beter of slechter zouden doen dan hun huidige collega's, maar misschien wordt in Amsterdam wel een cursus management verplicht gesteld. Een enkeling zal misschien, het oog gevestigd op een universiteitsprofessoraat, bereid zijn zich vijftien jaren lang geniaal te pletter te werken ten behoeve van de eigen instelling. De anderen zullen, zeker in de laatste jaren van hun aanstelling, hun positie vooral uitbaten om zich elders van een riante baan te verzekeren.

Wellicht heeft de Amsterdamse commissie wel de expliciete opdracht meegekregen om binnen het bestaande rangenstelsel naar verbeteringen te zoeken. De voorstellen laten in ieder geval zien dat de commissie op typisch Nederlandse wijze vroom gelooft in de almacht van de hoogleraar: plaats een enkeling op een voetstuk, leg de zweep over de rest en de hele universitaire gemeenschap krijgt plotseling vleugels. Toch is het maar zeer de vraag of het flexiprofessoraat het probleem van minder goed functionerende groepen oplost. Groepen bestaan niet alleen uit hoogleraren maar ook uit medewerkers. Door het tegenwoordige rangenstelsel wordt echter een groot aantal universitaire docenten en hoofddocenten structureel gefrustreerd.

Bij de invoering van het huidige rangenstelsel in de jaren tachtig heeft men gekozen voor een herbevestiging van het oude leerstoelensysteem met zijn hiërarchische structuur. Er is een beperkt aantal leerstoelen en alleen de bekleder van een leerstoel mag zich sieren met de titel professor. Slechts een hoogleraar heeft het ius promovendi. Fondsenverwing zonder de titel professor is vrijwel onmogelijk. Benoeming tot hoogleraar is in principe alleen aan de orde wanneer een leerstoel vacant komt. Sommige doctores zijn niet alleen nog jong en veelbelovend, maar hebben bovendien het geluk al kort daarop tot hoogleraar benoemd te worden. Anderen, die later minstens zo bekwaam blijken, hebben pech omdat de leerstoel waarvoor zij in aanmerking zouden komen, bezet is door een vrijwel even oude vakgenoot die nog niet van plan is onder de tram te komen.

Persoonlijk heb ik het Amerikaanse systeem altijd veel aantrekkelijker gevonden. Alle docenten - assistant-professor, associate professor, full professor - kunnen in eigen naam promotie-onderzoek begeleiden en fondsen werven. Iedere associate professor die actief is op het terrein van onderzoek en onderwijs komt in principe in aanmerking voor een bevordering tot full professor. De bevordering tot full professor is geen automatisme.

De eisen zijn zeer stringent geformuleerd en dikwijls worden buitenlandse beoordelaars ingeschakeld. Het resultaat kan zijn dat een kleiner Department slechts wordt bemenst door full professors, maar meestal is er sprake van een behoorlijke spreiding over de verschillende rangen.

Het voordeel van het Amerikaanse systeem is dat het beter recht doet aan het collegiale karakter van academisch onderwijs en onderzoek, zeker in een letterenfaculteit. Het stelt de hoogste rang in principe open voor iedere medewerker met een onderzoekstaak, wat ongetwijfeld een motiverende werking heeft. Ook als men bepaalde bevoegdheden en verantwoordelijkheden wenst te beperken tot personen met een zekere titel, vergroot men de groep die deze taken kan uitoefenen. Door hun snelle groei in de late jaren zestig en de vroege jaren zeventig kennen de Nederlandse universiteiten op dit moment een relatief grote groep van medewerkers in de leeftijdscategorie 45-55. Het grootste probleem voor de Nederlandse universiteiten lijkt me niet dat deze groep niet voor haar taak berekend zou zijn. Alle visitaties en evaluaties spreken dat tegen. Het grootste probleem lijkt me dat de talenten van deze groep onvoldoende gebruikt worden. Vele zittende universitaire docenten en hoofddocenten hebben minstens dezelfde - zo niet grotere - gaven voor management en onderzoeksbegeleiding als de hoogleraren in hun vakgroepen, maar ze hebben slechts beperkte mogelijkheden om deze gaven te tonen of daar publiekelijk erkenning voor te krijgen, met alle negatieve gevolgen van dien.

Het is een ingekankerde gewoonte in dit land om af te geven op het zittende personeel. Ook deze krant staat daar voor open en bood Rik Smits, columnist van deze bijlage, op de Opiniepagina onlangs de gelegenheid een lijst op te sommen van universitaire medewerkers aan een niet nader genoemde universiteit die er de kantjes af zouden lopen. Nu komen er in elke grote organisatie wel een paar mensen voor die minder functioneren en men kan slechts bewondering hebben voor het bijzondere talent van deze personen om alle bezuinigingen van de afgelopen jaren zonder kleerscheuren te zijn doorgekomen. De suggestie die door artikelen als dat van Smits wordt gewekt is echter faliekant onjuist. De overgrote meerderheid van de zittende ud's en uhd's kan meer doen en wil meer doen, maar wordt in haar mogelijkheden gefnuikt door ons antieke rangenstelsel.

Dit is geen oproep om alle ud's en uhd's boven de veertig bij fiat te bevorderen tot hoogleraar - we reizen niet meer in tachtig dagen de wereld rond. Het is wel een nederig doch dringend verzoek aan hen die boven ons gesteld zijn om recht te doen aan de praktijk van het academisch onderzoek en onderwijs, en zich te bevrijden van de ridicule verering van de titel professor. Ook in Nederland is de negentiende eeuw