Blikkerende tanden

'De Opening' is te zien t/m 7 sept. 1997. Universiteitsmuseum, Lange Nieuwstraat 106, Utrecht. Geopend di t/m vr 10-17u, za, zo 13-17u. Toegang ƒ 7,-.

De eerste wisseltentoonstelling in de nieuwe behuizing van het Utrechts Universiteitsmuseum heet 'De Opening' en schetst de ontwikkeling van ons gebit. Dat is een succesnummer van de evolutie. Bij de oudste dieren staan tanden en kaken los van elkaar, er bestaan fossiele resten van dieren met het een of het ander. Toen beide ontwikkelingen elkaar kruisten, betekende dat een grote sprong voorwaarts.

Bij het zoogdiergebit, het toppunt van perfectie, is het sleutelwoord occlusie: het op elkaar passen van de elementen uit boven- en onderkaak. Bij het kauwen wordt het voedsel met toevoeging van speeksel tot een papje vermalen, zodat het in het maag-darmkanaal gemakkelijk verteerd kan worden. Reptielen en vissen hebben dat niet: koudbloedigen hanteren het gebit vooral als wapen. Vier tafels, een enkele vitrinekast en diverse apparaten en meubels uit de praktijkkamer geven de Utrechtse expositie vorm. Het ontwerp is van Frank Raven, die zijn sporen in de theaterwereld heeft verdiend. Voor een groot deel zijn de voorwerpen geselecteerd uit de wereldvermaarde Kalman-Klein collectie, in 1960 door het museum aangekocht. Geleend zijn twee mummiekoppen van het Rijksmuseum van Oudheden, om te laten zien met welk divers materiaal de gebitsonderzoeker te maken heeft, en sieraden uit het Koninklijk Instituut voor de Tropen waarin tanden zijn verwerkt. Rond een witte tafel hebben zich acht zoogdieren geschaard, twee grazers (rund, paard), twee vleeseters (leeuw, hyena), twee alleseters (mens, varken) en twee dieren die een aparte plaats innemen: de dolfijn met zijn blijvende melkgebit en de miereneter zonder gebit. Het verschil in kauwfunctie laat zich aan de gebitten duidelijk aflezen. De roze tafel is die van de verleiding. Tot in de reisboeken van Paul Theroux vind je het werelwijde verband tussen cariës en suikerconsumptie terug: op eilanden waar om godsdienstige redenen een taboe op snoepen rustte, zag hij beduidend minder tandbederf. De geschiedenis van de kiespijn vóór de komst van de tandheelkunde staat uitgebeeld op de rode tafel. Kiespijn is van alle tijden. Met kruidenmengsels, jenever, bezweringen en gebeden tot de heilige Apollonia - in een vitrine liggen bidprentjes - probeerde men de pijn te verdrijven. Als dat niet hielp, restte extractie. Aanvankelijk werd die uitgevoerd door chirurgijns of kwakzalvers, bijvoorbeeld op de kermis. Omstreeks 1850 komt John Thomas met een voor ieder gebitselement aparte trektang, een systeem dat nog altijd in zwang is. De zwarte tafel toont de opkomst van de tandheelkunde. In Nederland begon de Universiteit Utrecht in 1879 tandartsen op te leiden. Drie ontwikkelingen zorgden voor een stroomversnelling: de uitvinding van de boormachine (eerst met een trapmechanisme), de ontdekking van röntgenstraling en het toedienen van narcose. Altijd heeft het gebit een sociale functie vervuld. Op de tentoonstelling is een schedel te zien van rond 1800 met een gedeeltelijke prothese. Anthoni van Leeuwenhoek schrijft dat hij zijn tanden dagelijks met zout inwreef - en toch trof hij onder de microscoop in zijn plaque 'dierkens' aan. Stammen in Brazilië hebben de gewoonte hun tanden tot scherpe punten te vijlen. Wij doen er alles aan ze met buiten- en binnenbeugels in het gelid te krijgen, om de andere sekse maar een Prodent smile te kunnen voortoveren: een blikkerend gebit is een sieraad in de mond.