Beloning Oost-Timor is klap in gezicht Indonesië

ROTTERDAM, 12 OKT. De kabinetschef van president Soeharto was “geschokt en verrast”, de woordvoerder van het Indonesische ministerie van Buitenlandse Zaken zei het besluit “te betreuren”, een veel geciteerde hoogleraar politieke wetenschappen zei de keuze “niet serieus te nemen” en een vooraanstaande moslim-intellectueel repte van een “belachelijke, zinloze grap”.

Als het Nobelcomité erop uit is geweest om het Indonesische establishment uit zijn evenwicht te brengen, dan is het in die opzet geslaagd.

De toekenning van de Nobelprijs voor de vrede 1996 aan de roomskatholieke bisschop van Dili Carlos Belo en aan de eveneens uit Oost-Timor afkomstige verzetsleider in ballingschap José Ramos Horta, wordt door Jakarta opgevat als een klap in het gezicht.

Het comité zegt overigens andere bedoelingen te hebben, namelijk het aan de dreigende vergetelheid ontrukken van het al 21 jaar slepende conflict om de voormalige Portugese kolonie Oost-Timor. De feiten zijn bekend, maar verdienen een kort resumé. In de zomer van 1975, een jaar na de Anjerrevolutie in Portugal, was Oost-Timor het toneel van een felle burgeroorlog tussen rivaliserende politieke partijen, waarvan er één onafhankelijkheid voorstond, een ander ijverde voor een blijvende band met Portugal en een derde - de kleinste - opkwam voor aansluiting bij Indonesië. In plaats van orde op zaken te stellen, koos de laatste Portugese gouverneur tesamen met het militaire garnizoen het hazepad. De overwinnende partij, het links-nationalistische Fretilin, dat door Portugese militairen was bewapend, kwam als overwinnaar uit het krijgsgewoel naar voren en riep de onafhankelijkheid uit. Enkele weken later, begin december 1975, besloot de Indonesische legertop, beducht voor een rode enclave in de archipel, Oost-Timor binnen te vallen, nadat Buitenlandse Zaken eerst het groene licht had gekregen van de Australische en Amerikaanse regeringen. De gewapende arm van het Fretilin bond onder aanvoering van José Alejandro 'Xanana' Gusmao de gewapende strijd aan met het Indonesische leger, een deel van de Fretilin-leiding werd geëxecuteerd, en de rest, onder wie kortstondig minister van Buitenlandse Zaken José Ramos Horta, ging in ballingschap. De Oosttimorese voorstanders van aansluiting bij Indonesië kregen sleutelposten in het bestuur en dienden bij het parlement in Jakarta een petitie in die in juli 1976 werd gehonoreerd. Oost-Timor werd de 27ste provincie van Indonesië, met de zegen van Washington en Canberra. Jakarta beschouwde de zaak daarmee als afgedaan, maar rekende buiten de Verenigde Naties. Een meerderheid van de Algemene Vergadering was en is van mening dat het volk van Oost-Timor niet is geraadpleegd bij de 'integratie' in Indonesië en blijft - oh ironie - Portugal beschouwen als de soevereine macht in Oost-Timor.

De beide door het Nobelcomité uitverkoren Oost-Timorezen hebben de afgelopen 21 jaar ieder op eigen wijze gepoogd vorm te geven aan het zelfbeschikkingsrecht van hun volksgenoten. Bisschop Belo als zieleherder van de overwegend rooms-katholieke Oost-Timorezen, die voor hen op de bres sprong als de civiele en militaire functionarissen uit Java in hun ontwikkelings- en pacificeringsijver de rechten van de mens uit het oog dreigden te verliezen. Dat leverde hem de genegenheid op van zijn kudde en het wantrouwen van de Indonesische autoriteiten. Fretilin-leider Ramos Horta op zijn beurt werd de pleitbezorger van Oost-Timor op internationale podia en bleef hardnekkige pogingen in het werk stellen om de kwestie op de VN-agenda te houden en te voorkomen dat de wereld zich neerlegt bij de status quo. Daarmee is hij voor de Indonesische diplomatie de kwade genius en schrijft zij alle buitenlandse aandacht voor de zaak Oost-Timor op rekening van Horta's 'gestook en anti-Indonesische laster'. Dat bisschop Belo, een in wezen a-politieke voorvechter van de mensenrechten, de Nobelprijs krijgt, daar kunnen Indonesische diplomaten nog mee leven. Maar dat “een zo gerenommeerde instelling” de politicus Ramos Horta eert, “een man die het Oosttimorese volk voor zijn eigen belangen manipuleert, betreuren wij diep”, zei Ghaffar Fadyl, hoofd woordvoering van Buitenlandse Zaken gisteren.

Maar ook bisschop Belo heeft vijanden binnen de Indonesische elite. Met name bij de scherpslijpers onder de islamitische intelligentsia, die het maar moeilijk kunnen verkroppen dat de prelaat hardop respect eist “voor het cultureel eigene van Oost-Timor”, waartoe hij met name de rooms-katholieke religie rekent, het volksgeloof bij uitstek in deze ex-kolonie van Portugal. De sociaal-economische achterstand die de oorspronkelijie bevolking in twee decennia heeft opgelopen ten opzichte van ondernemende - meest islamitische - immigranten van andere eilanden heeft ter plaatse ressentimenten gewekt die sommige moslim-leiders toeschrijven aan het vermeende 'religieuze fanatisme' van Belo.