Al Pacino als familielid van de Vieze Man op het toneel

Hughie, Circle in the Square Theatre, T/m 2 nov, Ma-Za 20.00u, en Za 14.00 u, 00-1-212-239.6200.

NEW YORK, 12 OKT. Vrijwel ononderbroken is Al Pacino aan het woord in Hughie, een eenakter van Eugene O'Neill vol somberheid en klein bravoure. In een ondergronds zaaltje op Broadway laat Pacino avond aan avond zien dat hij niet alleen een filmster is, maar ook een aanstekelijk en aandoenlijk toneelspeler, en een regisseur met respect voor tekst en aanwijzingen van de auteur.

Erie Smith is een verhalenverteller, een verlopen bon vivant die pokert en gokt op paarden. Hij woont in een hotel op Broadway dat, in de aanwijzingen van O'Neill, “om te overleven gedwongen was slechter te worden en dat nu elke pretentie van fatsoen heeft laten varen.” Na drie dagen aan de boemel komt Erie op een zomernacht in 1928 tussen drie en vier uur moeizaam de kleine lobby binnen lopen, in zijn beige pak, zijn witte schoenen met bruine punten en met in de hand zijn verfomfaaide lichte hoed.

Pacino maakt in het iets vertraagde loopje van Erie zijn opgezette voeten zichtbaar, zoals hij in zijn iets vertraagde intonatie laat horen dat hij in de voorgaande uren waarschijnlijk veel drank, rook en onzinnige kroegpraat heeft verstouwd. Hij vraagt de nachtportier om de sleutel van zijn kamer en knoopt een praatje aan, ook al voelt de intens verveelde nachtportier niets voor een gesprek.

Praten, zo blijkt al gauw, is voor Erie een reddingsboei waar hij zich aan vast klemt. Hij gaat maar niet naar zijn kamer en blijft de portier vervelen met zijn nostalgische verhalen, die steeds draaien om een zekere Hughie, de vorige nachtportier, die kort daarvoor is overleden.

O'Neill heeft over Hughie (spreek uit Joewie) gezegd dat het meer geschreven is om te lezen, dan om het op te voeren. Maar in een heel sober decor, aangevuld met wat nachtelijke stadsgeluiden, heeft Pacino er een heerlijke voorstelling van gemaakt. Hij schrikt er niet voor terug zijn Erie af en toe wat vet aan te zetten, klef lachend om zijn eigen grapjes met het puntje van zijn tong dubbelgevouwen tussen zijn lippen. Op zulke momenten is Pacino's Erie familie van De Vieze Man, een verfijnde neef die in de goot is geraakt. Maar Erie is ook een intelligente opschepper met een ontroerend klein hartje, die met zijn grootspraak niemand voor de gek houdt, zeker zichzelf niet.

Pacino's tegenspeler, Paul Benedict als de nachtportier, vormt in zwijgzaamheid en karige woorden een mooi contrast. Onder de uitgebluste, karakterloze blik blijkt een machteloze agressie schuil te gaan. Maar Erie, met zijn sterke verhalen en half of heel verzonnen herinneringen aan Hughie, weet enig leven in hem te wekken.

Het publiek in New York staat Pacino niet toe in het theater zijn status van ster te vergeten. Als hij in het stille, duistere decor op komt schuifelen wordt de betovering verbroken door een staande ovatie van zijn fans. En na afloop van de voorstelling moeten dranghekken eraan te pas komen om te zorgen dat de acteur heelhuids naar zijn auto kan lopen. En waarom ook niet? Het valt ook niet te ontkennen dat de voorstelling extra bijzonder is doordat je als publiek in het knusse theatertje dicht om het hoefijzervormige toneel zit, terwijl op twee meter van je knieën de grote Al Pacino een heel mooi klein rolletje staat te spelen.