Wandelen met een appelbeignet; De draagbare sculpturen van Frans West

De Oostenrijkse kunstenaar Frans West omkleedt wandelstokken, klerenhangers en bezemstelen met gips of papier-maché. De toeschouwer wordt op zijn tentoonstelling in museum Kröller-Müller geacht deze 'Passtukken' op te tillen en rond te dragen. “Wie een Passtuk rondsjouwt, wordt volkomen geabsorbeerd door deze merkwaardige, irrationele handeling.”

Overzichtstentoonstelling van Franz West. Kröller-Müller Museum, Otterlo. T/m 19 jan. 1197. Di t/m zo 10-17u. Catalogus (Duits/Engels), 326 blz., prijs ƒ 59,50.

Franz West brengt iedereen tot wanhoop. Daags voor de opening van zijn grote overzichtstentoonstelling in het Kröller-Müller Museum is West (Wenen, 1947) nog druk bezig met het verslepen van zijn talloze sculpturen en objecten. Voortdurend krijgt hij nieuwe invallen. De enkele installatie die wel klaar was - een kamer met grijze wanden, ingericht met een goudkleurig schilderij en een ijzeren sofa achter een wit kamerscherm - bevalt hem toch niet, het kamerscherm staat te ver naar links. En op het laatste moment moet de stoffen bekleding van zijn 'zitsculpturen' afgehaald worden en naar de stomerij in Otterlo gebracht. Want zijn tentoonstelling mag er dan geïmproviseerd uitzien, het luistert allemaal heel nauw.

West beperkte zich met zijn tentoonstelling niet tot de nieuwe vleugel van het museum, maar plaatste ook kunstwerken in de Van Gogh-zalen. Bijvoorbeeld twee ruw gevormde, kleurrijk beschilderde hoopjes papier-maché, neergezet op een tafel die, gezien de verfresten, direct uit zijn atelier komt. De tafel staat op een decimeter afstand van Portret van een man (1880) van Van Gogh. Het is de bedoeling dat de bezoekers deze 'sculpturen' vrijelijk betasten. En zij doen dit met overgave. Nergens in het museum zijn zoveel mensen te vinden als hier, ze verdringen zich voor de tafel, tot grote ellende van de suppoost die haar blik geen moment kan laten afdwalen.

Een vrolijke chaos is het, deze tentoonstelling waar alles kan en alles mag. Maar wat is er de bedoeling van? Is het niet simpelweg een trivialisering van de kunst, inclusief de schilderkunst van Van Gogh? Nee, zo simpel is het niet. De ordeloosheid is maar schijn. Overal bespeur je dat hier niets aan het toeval is overgelaten, en steeds weer houden vreemdsoortige objecten de aandacht gevangen.

De rode draad in het geheel zijn de 'Passtukken voor het menselijk lichaam'. West vervaardigt deze Passtücke sinds het begin van de jaren zeventig uit gips, papier-maché of kunststof. Het geraamte dat erin zit is meestal een of ander afgedankt voorwerp, bijvoorbeeld een wandelstok, een klerenhanger, een bezemsteel, een fles of een emmer. De Passtukken moeten door de tentoonstellingsbezoeker worden opgetild en meegedragen. Er zijn speciale instructievideo's bij. Later breidde West het concept van het Passtuk uit tot zitmeubilair. Zijn stoelen en banken zijn eveneens gemaakt van afvalmateriaal, voornamelijk oud ijzer, al dan niet met lappen er omheen gedrapeerd.

Zeven zuilen

Het zijn ongemakkelijke dingen, die Passtukken. Ik heb een poosje rondgelopen met een langwerpig object dat over de grond zou slepen als ik het niet steeds optilde. Er zat een verdikking, een zwelling aan de onderkant. Bijna alle draagbare Passtukken hebben dergelijke organische, meestal vaas- of fallusvormige, zwellingen. Het met de hand geknede gips geeft ook iets lichamelijks, een levendige textuur, een huid. Sommige Passtukken zijn elegant van vorm en kunnen als hoed of als halssieraad worden gedragen. En er zijn Passtukken, een groep van 'Zeven Zuilen' van op elkaar gelijmde emmers die lijken op de 'Oneindige Zuil' van Brancusi, die door naakte mensen rondgedragen dienen te worden. Op een tekst aan de wand staat dat wie 'interesse mocht hebben in deelname aan een naaktopstelling, zich kan melden bij de telefoniste van het museum'.

De Freudiaanse connotaties liggen voor het grijpen. De Oostenrijkse kunstenaar omschrijft zijn Passtukken dan ook als 'gematerialiseerde gedachten of neuroses'. Zoals hij zegt in een interview in de catalogus: 'Als we neuroses visueel zouden kunnen waarnemen, dan zouden ze, in mijn zeer oppervlakkige kennis van Freud, misschien wat op Passtukken lijken - want neuroses motiveren een persoon om op een bepaalde manier te bewegen. Een Passtuk zet niet aan tot een mentale, maar tot een fysieke beweging van de deelnemer. Bij het maken ervan dacht ik bijvoorbeeld aan kelners in rok die hun overbeladen plateaus elegant door tjokvolle restaurants dragen; kolensjouwers aan het werk; het spuugbakje bij de tandarts; de bewegingen van orkestdirigenten, enzovoort.' De voorbeelden krijgen een extra dimensie wanneer we bedenken dat de moeder van West tandarts was, en zijn vader kolenhandelaar.

De Passtukken verwijzen behalve naar Freud ook op een grappige manier naar de kunstgeschiedenis, namelijk naar het beroemde Trattato della Pittura van Leonardo da Vinci. Volgens Leonardo geven spierbewegingen inzicht in de psychologische en emotionele staat van een individu. In zijn Verhandeling over de Schilderkunst adviseerde hij kunstenaars: 'Teken je figuren op zo'n manier dat hun gebaren voldoende duidelijk maken wat ieder figuur in gedachten heeft.' Dit is precies wat West met zijn Passtukken doet. Alleen, hij tekent geen figuren maar gebruikt levende mensen. Wie met een Passtuk rondsjouwt, wordt volkomen geabsorbeerd door deze merkwaardige, irrationele handeling. En een neurose is tenslotte een veruiterlijking van een psychisch probleem.

Wat kan een beeldhouwer na minimal art en concept art nog doen? Maakt degene die beelden boetseert of uit steen hakt zich niet belachelijk, is hij geen primitieveling die zichzelf buiten de hedendaagse cultuur plaatst? Zo iemand maakt zich een beetje belachelijk, vindt West - maar desalniettemin smokkelt hij allerlei aspecten van het 'klassieke beeldhouwen' de hedendaagse kunst binnen. Zoals de nadruk op de materie, het handgemaakte, het kneden van de materie, net als bij Giacometti, waar West meermalen naar verwijst. De objecten van West zijn sensueel, tastbaar, zintuiglijk. Het is onmogelijk om een grote, bobbelige appelbeignet met een gat erin niet even aan te raken. En bij die quasi-nonchalante papier-machébergjes speelt de proportie toch ook een rol, bijvoorbeeld de verhouding tot de 'sokkel', al is die sokkel hier een werktafel uit het atelier. Hol en bol, binnen en buiten, al die versleten begrippen komen weer in de herinnering als je er naar kijkt. Het is allemaal speels en toneelmatig - maar toch.

Gipskoppen

Een belangrijk verschil met de klassieke beeldhouwkunst is het feit dat de voorwerpen van West niet op zichzelf kunnen staan. Ze ontlenen hun betekenis uitsluitend aan de door hem geschapen context. Een enkel werk van West op een groepstentoonstelling is meestal volkomen ontoegankelijk en nietszeggend. De grote, in afzonderlijke vitrines geplaatste gipskoppen in de hal van museum Kröller-Müller zijn geheel ontheemd, net als dat reliëf dat keurig op de gang aan de muur hangt: het werkt niet, het is te deftig, de voorwerpen gaan teveel op 'echte' kunst lijken en daarmee ontkrachten ze zichzelf. De grijze kamer daarentegen is mooi en weemoedig, het ijzeren divanbed achter het scherm - wellicht ook een verwijzing naar Freud - van een grote eenzaamheid. Ook de kamer die Clamp heet, en werd aangekocht door het Kröller-Müller, is triest. West bouwde hier een atelier van hem na, compleet met de oorspronkelijke vloer. Hij bewoonde dit atelier ooit met zijn halfbroer, die zelfmoord pleegde. De bladzijden uit de Gouden Gids waarmee de wanden zijn beplakt symboliseren al de mogelijkheden die onbenut bleven.

Vaak wordt er een verband gelegd tussen West en het Wiener Aktionisme, de geruchtmakende kunstbeweging uit de jaren zeventig. Günther Brüs, Otto Muehl, Hermann Nitsch en anderen organiseerden performances die het karakter hadden van initiatieriten en tot doel hadden de deelnemers te verlossen van hun angsten en frustraties. Christelijke symbolen, het slachten van dieren en bloed speelden hierin een belangrijke rol. West, die tot een jongere generatie behoort dan genoemde kunstenaars, heeft het Aktionisme van nabij meegemaakt. Maar ook al zoekt West, net als de Aktionisten, de participatie van het publiek, van het Aktionisme en van de wreedheid die daarbij hoort, moet hij niets hebben. Hij is afkerig van dwang en van dogma's. West speelt slechts met de gedachte dat kunst therapeutisch zou kunnen zijn - hooguit heeft het voor hem zélf die functie.

Een Hoog Doel heeft West niet met zijn werk. Zijn kunst is ondermijnend, anarchistisch en onvoorspelbaar. Het utopische denken van de avant-garde is hem volkomen vreemd. Zijn werk gaat alle kanten tegelijk op, en voor stijl of genre interesseert hij zich niet. Maar ontroeren en amuseren, daarin slaagt hij wél: met met zijn tongue-in-cheek-verwijzingen naar de kunstgeschiedenis of naar Freud, en met een onnadrukkelijke evocatie van menselijk leed. Zijn werk is humoristisch en droevig tegelijk.