Vier romans uit Libanon; De lust tot oorlog

Liana Badr: Het oog van de spiegel. Uit het Arabisch vertaald door Ronald Kon. Goossens/Manteau. 282 blz. ƒ 34,50

Hoda Barakat: De lachsteen. Uit het Arabisch vertaald door Richard van Leeuwen. Goosens/Manteau. 203 blz. ƒ 34,50

Vénus Khoury-Ghata: De maîtresse. Roman. Uit het Frans vertaald door Mirjam de Veth. Uitg. Van Gennep-Novib-NCOS. 198 blz.ƒ 34,90

Hanaan as-Sjaikh: Het verhaal van Zahra. Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga. De Geus/EPO. 249 blz. ƒ 42,90 (geb).

De oorlog in Libanon is voorbij, schijnt het. Er zijn heel wat naweeën: Israel houdt land bezet, de Syrische bezetting wil men liever kwijt, en de gezindheid van de Hezbollah is twijfelachtig. Toch doet iedereen alsof Libanon een normaal land is. Je kunt weer gewoon rondlopen in Beiroet, en het is niet eens onveilig om te lopen door de ruïnevelden en sloppen die zich uitstrekken tussen de betere wijken. Nu het grote schieten is opgehouden lijkt dit land even mercantiel en zachtaardig als voor de oorlog. Het kost enige moeite te beseffen dat die alledaagse dertiger op straat een paar jaar geleden nog partij-ideoloog was van een sinistere jongensclub, of gijzelnemer, sluipschutter op een dak, of moordenaar op de grond.

De glitter en het goud zijn nog niet terug. Er zijn wel marmeren winkelcentra en dure restaurants, maar de klanten ontbreken. De hoofdstraat van Beiroet werd van de zomer wat opgefleurd door het Hamra Festival, dat veel weg had van een braderie in een Nederlandse provinciestad. Een vuurwerk besloot het feest, en de ooh's en aah's klonken met een enthousiasme alsof het publiek nog nooit zoiets had meegemaakt. Waren de mensen al vergeten dat zij jarenlang avond aan avond knallen hadden gehoord en lichtflitsen hadden gezien?

Beiroet is nog altijd de hoofdstad van het Arabische boek. Er zijn meer dan honderd uitgeverijen, die de hele Arabische wereld van lectuur en literatuur voorzien. Tijdens de verbouwing is de verkoop gewoon doorgegaan, in de vorm van export, maar de plaatselijke boekwinkels zijn armzalig. Misschien hebben de mensen geen geld voor boeken, of hun hoofd staat er nog niet naar. De kastjes met literatuur in de winkels mogen klein zijn, stoffig zijn ze allerminst, want er staat explosief nieuw werk tussen, waarin voortvarend en met niets ontziende openheid het verwerkingsproces is ingezet.

Nog verbazender is dat er zo snel een goede selectie uit deze oorlogsliteratuur in Nederlandse vertaling verkrijgbaar is. Uitgevers en vertalers verdienen daarvoor een compliment. Maar liefst vier romans uit het Beiroet van de burgeroorlog zijn dit jaar vertaald, drie Arabische en éen Franstalige. Alle vier zijn zij geschreven door vrouwen, en toevallig is dat niet, want vrouwen zijn sterk in opkomst in de literaturen van de Arabische wereld.

Huistiran

Deze vier Beiroet-romans laten tot walgens toe ellende, dood en verwoesting zien, maar ook de kansen op bevrijding en emancipatie die de oorlog biedt, en niet in de laatste plaats de lust die zowel mannen als vrouwen eraan beleven. Liana Badr is Palestijnse. Haar roman speelt zich af op een bijzondere plek in Beiroet. De hoofdpersoon Aisja groeit op in een Palestijns vluchtelingenkamp, dat belegerd en ten slotte vernietigd wordt. Het is een ontwikkelingsroman, waarin heel goed is getroffen hoe Aisja van tienjarig meisje opgroeit tot volwassen, zelfstandige vrouw. Door de burgeroorlog is haar kans op scholing en werk buiten het kamp verkeken. In het kamp is niets te doen en haar vader tiranniseert haar. Er rest haar aanvankelijk niets dan te dromen over knappe strijders. Later trouwt ze met zo'n jonge held, maar deze sneuvelt en ze blijft zwanger achter.

De beschrijving is traditioneel, maar gedetailleerd, en de opbouw is uitstekend. De kracht van dit boek ligt vooral in de minutieuze documentering van de onmenselijke omstandigheden in het kamp en van de eensgezindheid waarmee christelijke milities, gesteund door vrijwel de hele wereld, het vernietigen. Met bewoners en al. Ook dit behoort tot de allang bekende feiten die men graag vergeet. Nu Het oog van de spiegel het nog eens indringend onder de aandacht brengt kan niemand meer zeggen dat hij het niet heeft geweten.

Door de omstandigheden brokkelt het traditionele leven in het kamp af. Oudere mannen, zoals Aisja's vader, de huistiran, weten met oorlog niets aan te vangen. Hij drinkt, miskent de situatie geheel, barst in snikken uit, zit maar wat in een hoekje en verliest zijn gezag over het vrouwvolk. Aanvankelijk zijn ook de oudere vrouwen nog traditioneel. In het armzalige kamp handhaven zij de gewoonten van hun allang ontvluchte boerendorpen. Voor de jonge meisjes zijn de dappere strijders de begeerlijkste huwelijkspartners; de waarden doen er niets meer toe. Maar hun jonge echtgenoten zijn steeds van huis om te vechten en hebben geen tijd om hun vrouwen te onderdrukken. Dat geeft Aisja en haar soortgenoten een kans: ze komen nu ook buiten de deur, kunnen gaan werken en zelfs vechten, en de oudere vrouwen doen noodgedwongen mee.

Bij Badr overheersen het oorlogsleed en de emancipatie van de vrouw, maar de lust en aanbidding ontbreken niet. Zelfs voor de heel jonge Aisja is een strijder al de held van haar hart, die hetzelfde in haar teweeg brengt als Christus; “ze voelt dat als ze zijn huid aan zou raken, er heilige olie op haar handen zou komen”.

Oorlog maakt een man van je, zeggen ze, en in het geval van Khaliel, de held-op-sokken uit Hoda Barakats De lachsteen, is het nog waar ook. Khaliel is een gevoelige, intelligente jongeman, die voortdurend bezig is zichzelf te analyseren. Hij heeft erotische relaties met knappe jongens en fantaseert daar ook over. In normale omstandigheden zou hij waarschijnlijk hebben gestudeerd, in cafés gediscussieerd, misschien in tijdschriften gepubliceerd, maar in een oorlog zijn dat zinloze bezigheden. Khaliel blijft dus voortaan in zijn Beiroetse flatje en wordt een huiselijke nicht met stereotiep vrouwelijke bezigheden. Na een beschieting maakt hij een lekker sopje om de keuken een beurt te geven, hij breit een trui en wast de kleren van zijn vrienden. Zijn oorlogsleed bestaat uit de dood van de ene vriend na de andere, en verder uit doffe lamlendigheid.

Dierbare held

Een vredige enclave in de stad is het gebouw van een krant. Dat gebouw zal geen der partijen ooit kapot schieten, omdat iedereen belang heeft bij die krant. Het is een kleine wereld van dikdoenerigheid en grote woorden. Khaliel is intelligent genoeg om de voosheid daarvan te doorzien en wil er niet gaan werken. Als de eigenaar van de krant, die tevens militieleider en crimineel is, aanbiedt hem te mainteneren wijst hij hem kokhalzend af. Ten slotte besluit hij een man te zijn en dat betekent meedoen met een of andere militie; voor welke partij of denominatie doet er al jaren niet meer toe. Hij plundert, sjouwt met wapens en op de laatste pagina's verkracht hij een vrouw - is het de vertelster die ineens opduikt, nadat we de hele tijd de innerlijke monoloog van Khaliel hebben gevolgd? Nu behoort hij tot zijn broeders en kan hij het leven prijzen, 'de algemene ellende van het leven'. De vertelster feliciteert hem: 'Hij is een man geworden die lacht, en ik ben een vrouw gebleven die schrijft. Khaliel, mijn dierbare held...'

In de reeds klassiek geworden roman van Hanaan as-Sjaikh heeft de oorlog van Zahra een vrouw gemaakt, nadat zij tevoren niet meer dan een psychisch gestoorde zombie was. Dit Libanese meisje is in haar jeugd door iedereen misbruikt, zowel seksueel als anderszins. Zij leeft (evenals haar vaderland) in een web van gestoorde relaties, raakt zelf ook behoorlijk gestoord en zoekt haar toevlucht in de badkamer en in een hardnekkig zwijgen. Ten einde raad vertrekt zij naar een geliefde oom in Afrika, een soort badkamer in het groot. Ook met hem en met de Libanees die zij daar trouwt is een normale relatie niet mogelijk. Zij wordt nu echt waanzinnig, maar in haar diepste crisis ontmoet zij haar kariena, haar innerlijke demon, die het begin van haar genezing aankondigt. De badkamer, de waanzin en het zwijgen kan zij nu verlaten; zij keert terug naar Libanon, waar al spoedig de burgeroorlog uitbreekt en haar ouders hun greep op haar verliezen. Nu kan ze eindelijk alleen zijn en haar innerlijke stem achterna gaan; haar puistjes verdwijnen en wanneer zij een relatie begint met de sluipschutter op haar dak is dat haar eigen beslissing. Dat zij zwanger is ontdekt zij pas na vier maanden. De sluipschutter heeft bij zijn levenswijze geen ruimte voor een huwelijk. Hij gelooft niet dat het te laat is voor een abortus en aborteert haar ten slotte op zijn eigen manier: vanaf zijn dak schiet hij haar dood.

Dit zijn slechts de hoofdlijnen van het zeer complexe verhaal, dat grotendeels door Zahra zelf wordt verteld, wat gezien haar geestesgesteldheid een prestatie is. In dit boek is de oorlog duidelijk de katalysator voor de bevrijding van de waanzin: zoals de stad het uitschreeuwt kan nu ook Zahra het uitschreeuwen en het rijk van haar vader, met zijn Hitler-snorretje en zijn hard neerkomende riem is ten onder gegaan. Dat zij zelf ook aan de oorlog ten onder gaat doet niets af aan haar groei: zij hééft geleefd!

Nieuwbakken vrede

In de Maîtresse van Vénus Khoury-Ghata, een Libanese die in Parijs woont, is de oorlog al voorbij. Zij schildert vooral de waanzin die de bewoners van een flat op de demarcatielijn tussen de beide stadsdelen heeft getroffen. In de betrekkelijke rust van de nieuwbakken vrede is er weer tijd om goed gek te zijn. Dood en verderf grijpen om zich heen, met als middelpunt een christelijke vrouw die haar man en zuigeling verlaat om zich te voegen bij een moslimse militieleider in West-Beiroet. Uit de onmogelijkheid van deze relatie blijkt dat de oorlog nog niet over is.

Als Franstalige put Khoury-Ghata uit een andere literaire traditie: de strijd die onbrandt om de vrouw kan zij duiden als een soort Trojaanse oorlog. Ook heeft zij een veel explicieter register waar het seksualiteit betreft. De onwerkelijke, delirische sfeer van haar boek moet veel te danken hebben aan de Europese letterkunde, al zie ik zo gauw geen voorbeeld. In het Arabisch wordt zó nog niet geschreven. Het is deze onwerkelijkheid die ons doet accepteren dat dit gewelddadige, maar schitterende boek op dagboeknotities van de twaalf- à vijftienjarige dochter des huizes zou berusten.

Een orgie van geweld, ondergang en dood, op het eerste gezicht zonder één lichtstraaltje. Maar ook hier vinden wij de lust van de oorlog. Deze flat heeft nog een eigen sluipschutter op het dak die onweerstaanbaar is voor de oude dame, die door de jalouzieën naar hem gluurt, als ook voor het bloedjonge meisje dat een hartstochtelijke relatie met hem begint. Een aflopende zaak, want de gouden tijd voor sluipschutters is voorbij. Frédéric, de poëtisch begaafde zoon des huizes, is even gevoelig als Barakats Khaliel, maar doet een andere keus. Hoewel hij al een vrouw heeft bemind wordt hij liever geen man, maar geeft zich aan een stevig gebouwde lijfwacht die hem ook de broodnodige cocaïne levert.

Zo kort na de oorlog zijn deze auteurs al bezig met de verwerking van hun ervaringen, en zij sluiten hun ogen niet voor de verwarrende en soms beschamende dubbelzinnigheid daarvan. Deze vrouwen bejubelen de oorlog niet, integendeel, zij gaan niet zo ver als de Serven, of als de BBC die 'Happy days are here again' draaide toen de Falkland-oorlog uitbrak. Maar Khaliel is een man geworden door de oorlog; Aisja zou toch wel vrouw en moeder geworden zijn, maar is nu een vrije vrouw geworden; en de aanvankelijk totaal verknipte en zieke Zahra vindt weliswaar de dood, maar heeft daarvóór nog gedeeltelijke genezing gevonden. Ook zij heeft haar seksualiteit en haar vrijheid ontdekt: 'voor het eerst sinds dertig jaar huiverde ik van genot'. Er bestaat ook zoiets als oorlogsdividend en dat is in Beiroet voor vrouwen blijkbaar groter geweest dan voor mannen.