Verhalen van Russell Artus; Gepakt en gezakt voor de hogere wereld

Russell Artus: Een onbeschreven dag. Meulenhoff, 207 blz. ƒ 32,90

Op een berg, een brug, een dak, de Eiffeltoren, iedereen kent het gevoel. Je kijkt over de reling, ziet de speldeknoppen onder je, de bomen en de mensen, en ineens worden je benen week. Je duizelt. Je schrikt, want stel je voor, wat als die reling wankel is, wat als. Je wilt niet vallen, je wilt helemaal niet denken aan een val, je komt hier voor een vergezicht. Maar wat je ook probeert, je blik dwaalt steeds weer naar omlaag en op een onbewaakt moment, de wind suist om je oren, een gevoel van peilloze versnelling, word je in gedachten meegetrokken. Daar ga je, van beneden stormt de aarde op je af, je kunt er niets aan doen. En toch, dat is het raadsel - je doet het zelf.

Het mechanisme van die zelfkwelling, ogenschijnlijk zo volkomen zinloos, houdt de held uit het titelverhaal van Een onbeschreven dag van jongs af aan al bezig. Hij was negen toen hij voor het eerst bezocht werd door een droom waarin hij op een klif zat, hoog boven zee, en tegen het spiegelende oppervlak te pletter sloeg. Vermoedelijk althans, want net het laatste beeld kreeg hij niet mee, zijn hart 'verstijfde' bij de naderende klap en hij schoot wakker. Maar het vreemde was dat hij er achteraf geen spoor van angst bij voelde, eerder opwinding, nieuwsgierigheid. Hij wilde weten wat het was, zo'n val, wat het voor macht was die daar achter stak, en toen hij meer van dit soort dromen kreeg werd hij vertrouwd met het gevoel. Hij begon te 'leunen tegen de dood'.

Toen hij ouder werd, hij is inmiddels in de twintig, heeft hij over slaap en dood een theorie bedacht. De wereld van de slaap ligt naast die van het leven, oppert hij, en is er mee verbonden door een nauwe koker, ongeveer zoals de beide bolle helften van een zandloper dat zijn. Je kunt er komen door je smal te maken, niet je lichaam maar je geest, door je bewustzijn te vernauwen - en lukt dat niet, of wil je het niet, dan komt de slaap je op den duur wel halen. Zo bewijst ze dat ze machtiger is dan het leven. Ze legt het haar wil op. Maar de machtigste, de 'Oppermachtige' die zelfs over de slaap regeert, dat is de wereld daar weer naast. De dood, één koker verder.

Dat zijn dichterlijke beelden, maar de toepassing blijft vooralsnog wat duister. Oppermachtig, akkoord, maar waarom is dat ook meteen aanlokkelijk? Wat is er daar te halen, in die dood? Het idee steekt op het oog merkwaardig af bij de andere verhalen in dit boek, die meer van uit de hand gelopen levenslust getuigen dan van doodsverlangen. Een man die aan de kost komt met het stelen van bagage op Schiphol bedenkt een strategie om een lieftallig meisje na beroving ook nog eens te kunnen bespringen - en ontdekt vervolgens dat een ander hem al voor is. Een vrouw die van een 'bestiaal' verlangen naar seks genezen is toen ze door drie man werd verkracht, merkt na een jaar of twintig dat de zoon die ze daaraan heeft overgehouden net zo bestiaal is. Ze wordt andermaal verkracht, nu door die zoon - en voelt tot overmaat van ramp haar 'bronst' weer terugkeren. Begeerte, onbeteugelbare, grimmige begeerte, dat is hier het overheersende thema.

Toch blijkt al die lust uiteindelijk zo levenslustig niet, als je een beetje doorleest. Het is geilheid uit verveling, in de woorden van een jongeman uit 'Runaway'. Het leven interesseert hem niet en heeft hem nooit geïnteresseerd, hij wist als kind al dat het 'voornamelijk bestond uit krijgen wat je niet wilde en willen wat je niet kon krijgen'. Met zijn eerste zaadlozing ontdekte hij pas een sensatie die hij krijgen kon als hij dat wilde, zonder vijven en zessen, en sindsdien is dat het enige wat hem nog kan vervullen. Het is zijn remedie tegen de ennui van het bestaan, een blinde roes, vergetelheid, een soort geluk dat niet het leven dient maar de vlucht daaruit.

Levenlozer wordt het beeld nog als je ziet wat er gebeurt wanneer die roes voorbij is. Op een avond zat hij in zijn eentje thuis, vertelt de jongeman, en keek verveeld het schemerduister van de tuin in. Het was net of alles wat hem anders door de dagen hielp hem had verlaten en zich daar had afgezonderd. Hij wou het terug. Zijn lichaam spande zich, hij drukte zijn hoofd tegen de ruit, en plotsklaps stond hij in een plas van scherven buiten. Zonder het te merken bleek hij door het glas te zijn gestapt. Zijn leven is klaarblijkelijk zo 'leeg', hij zegt het zelf, dat het hem in een 'trance' brengt. Hij is er wel, maar is er niet bij.

Dat klinkt al aardig als leunen tegen de dood, die daasheid, en die indruk wordt versterkt door Russell Artus' stijl. Hij schrijft niet mooi, af en toe behoorlijk slordig zelfs, maar heeft een werkzame manier gevonden om figuren te verbeelden die proberen te ontkomen aan de wereld en zichzelf. Hij geeft ze iets autistisch mee, iets onbereikbaars - ongeveer zoals hij dat ook deed in zijn vorige, eerste boek, Zonder wijzers, een van de opvallendste romandebuten van het afgelopen jaar. Ze leven in hun eigen hoofd, ze praten vaker met zichzelf dan met een ander, en vooral: ze houden binnen- en buitenwereld gebrekkig uiteen. Verleden, heden, droom en werkelijkheid besmetten elkaar in hun hoofd, haast ongemerkt, en Artus vlecht die werelden ten slotte in elkaar tot iets dat bijna niet meer te ontrafelen valt. Een tussenwereld, van niemand anders dan van hen.

Wat dat voor een domein is wordt het best omschreven door de jongen uit het titelverhaal, die aan de droom zo'n macht over het leven toekent. Hij leeft alsof hij zich de hele tijd 'gereed hield om in slaap te vallen', zegt hij. Zijn bewustzijn staat onafgebroken op nauw, zijn geest op smal, hij is gepakt en gezakt om naar zijn hogere wereld af te reizen. Hij leeft als het ware permanent in de koker die daarheen moet leiden, in een niemandsland waar doel en zin zijn opgeschort. Dat is waarom zijn dagen 'ongeschreven' zijn, legt hij uit, de titel van het boek terloops verklarend. Ze zijn 'zonder betekenis'.

Toch blijkt dat niet te zijn wat Artus met dat leunen tegen de dood bedoelt. Wanneer de jongen rond de twintig is, zoekt hij zijn klif boven zee weer eens op - niet in een droom dit keer, maar in het echt. Op een vakantie vindt hij de perfecte plek, een hoge eilandrots. Hij slijt er lange dagen, bang voor een val maar ook verrukt, zelfs grijnzend, en dat brengt hem tot een doorslaggevende ontdekking. Voor het eerst in jaren voelt hij weer dat hij daadwerkelijk bestaat. Hij kruipt uit de koker van zijn levenloze leven, dankzij de nabijheid van gevaar en regelrechte dood, en leeft.

Daarmee is hij de enige figuur in deze bundel die uiteindelijk een uitweg krijgt geboden uit de doodsheid van zijn dagen. Eigenlijk nogal een logische, als je er bij stilstaat, maar bij mij riep het ineens toch allerlei gedachten wakker over mens en wereld. De zucht naar seks, naar roes, naar lichaam zonder geest, als vlucht uit een bestaan dat ondanks de genoegens van de welvaart, of misschien juist dankzij die genoegens, vormeloos en doelloos dreigt te blijven, het lijkt me geen onzinnige impressie van het hedendaagse leven, dat van Artus' generatie in het bijzonder. Een leven zonder dreiging is het, zonder dood, en daardoor is het niet zo bar veel leven meer. Vandaar misschien die eigenaardige moderne neiging welbewust een dreiging op te zoeken en een afgrond te trotseren, in gedachten of zelfs in het echt. Bungee-jumping, wie weet is het voor deze tijd zo kwaad nog niet - dit titelverhaal is er in elk geval een heilzame papieren versie van.

Rest de vraag of Een ongeschreven dag daarmee als geheel een aanbevelenswaardig boek is. Vreemd genoeg, na twee keer lezen weet ik het nog steeds niet. Artus onderwerpt zijn personages aan extreme lotgevallen, soms zelfs op de rand van het onwaarschijnlijke, en weet ze bij dat alles geloofwaardig te houden. Dat getuigt van flair en beheersing, allemaal niets op aan te merken. Maar er is iets dat mijn argwaan wekt. Wanneer de jongeman boven het water bungelt is dat niet alleen voor hem maar ook voor lezers een indringende belevenis. Je zit in spanning of hij vallen zal, of hij niet vallen wil, en Artus lijkt zich daar waarneembaar van bewust. Hij exploiteert de spanning, zozeer dat het wel eens lijkt of die hem net iets meer kan schelen dan die hele bungelende jongen. Hij behandelt zijn figuren vaak met meer berekening dan mededogen, dat valt in het algemeen op, en dat brengt je op den duur tot een moraalridderige Oprechtheidsvraag. Hij schrijft, Artus, hij laat de dagen niet meer onbeschreven, maar hoe ernstig neemt hij wat hij dan beschrijft. Wat is hier overtuiging, wat is Spielerei?

Uit: Russell Artus, Een onbeschreven dag:

Wat hij wil is recht naar beneden kijken, over de rand hellen en de dood in de ogen kijken, precies díe kleine grafsteen van water zien die hij versplintert als hij naar beneden zou duikelen, alsof het gevaar slechts in die ene vierkante meter schuilt en nergens anders - maar hij begrijpt dat dit onmogelijk is zolang hij grond onder zich heeft. Toch roept het ravijn ook zonder dat oogcontact onmiskenbaar het verlangen naar een onmiddellijke dood op, dat wil zeggen, een dood waarbij de reis door de wereld van de slaap en de daaraan vastgeklonken bottlenecks zo snel gaat dat hij schijnbaar niet plaatsvindt. Het ondeelbare moment waarop het leven nog eens voorbijflitst, denkt Richard.