Tekenen in de schaduw, dichten in de zon; Hendrik de Vries en schildersvereniging De Ploeg

Hendrik de Vries tekende het liefst alleen met zwart. Zijn gedichten zitten wel vol kleur. De regel 'Vensters, hoek aan hoek, flits aan flits, vuurgeel' zou de beschrijving van een schilderij van De Ploeg kunnen zijn, de Groningse schildersvereniging waarmee De Vries zich verwant voelde. De portretten die de leden van dichter maakten zijn nu in Den Haag geëxposeerd worden. In Groningen wordt zijn eigen beeldende werk getoond.

Hendrik de Vries en het expressionisme van De Ploeg. Letterkundig Museum, Den Haag. T/m 2 febr. 1997. Catalogus: W.H.R. Koops: Hendrik de Vries geportretteerd door leden van 'De Ploeg'. Prijs ƒ 14,95.

Beeldend werk van Groninger Museum, t/m 8 dec. Jan van der Vegt: Biografische schets. Uitg. De Prom, ƒ 24,95.

Hendrik de Vries: Verzamelde gedichten. Uitg. Bert Bakker, ƒ 69,50.

Sprookjes Uitg. Bert Bakker, ƒ 29,90.

Het jaar 1918 was een belangrijk jaar voor het Groninger kunstleven. Een aantal schilders, onder wie Jan Altink, Jan Wiegers en Johan Dijkstra, richtte de schildersvereniging De Ploeg op. Het was het begin van een zegetocht. Schilder Johan Dijkstra was even vaardig met de pen als met het penseel; hij schreef wervende, pamfletachtige teksten die voor de jonge schilders de betekenis kregen van een programma: 'Het landschap van Groningerland, tot dan terra incognita voor de schilderkunst, is totaal anders dan het stemmingsvolle Drenthe, door de rijke landouwen, de bouwstijl van de dorpen met hun fris-rode baksteen, blauwe pannendaken, helder witte kozijnen en groene deuren. De oude kerken op de wierden, waar de bomen het teken dragen van de wind. 't Was alsof nu eindelijk die dingen riepen om geschilderd te worden.' Voor Dijkstra waren de nieuwe schilders 'geen stille droomers, doch eerder wilde fantasten.'

Zij gaven met hun levensvreugde kleur aan het open, winderige Groningen.

De kunstenaars van De Ploeg trokken in die jaren de Groninger Ommelanden in om en plein air te gaan schilderen. Voor hun landschappen en stadsgezichten gebruikten ze de felst denkbare kleuren die ze, alsof er nooit een theorie had bestaan van harmonische kleurstellingen, brutaal naast elkaar zetten: 'het groen van het gras tegen het paars-zilver van de klei, tegen het goud van de paardebloemen het violet in de lucht', zoals Dijkstra schreef.

In diezelfde jaren twintig en dertig zwierf er een dichter en schilder door de stad Groningen die al dat daglicht en die kleurenpracht schuwde; overdag sloot hij de zwarte gordijnen voor de ramen van zijn kamer in het ouderlijk huis, waar hij tot zo ongeveer zijn vijftigste bleef wonen. De muren waren behangen met zwart papier. Het schemerdonker was voor hem het ware domein van de fantasie.

Deze dichter en schilder liet zich 's winters geselen door de kou. De kachel stookte hij nooit op en zelfs bij heftige vrieswind liep hij rond in een overall met niets eronder.

Poëzie die geschreven wordt in een verduisterde kamer of die 's nachts ontstaat, terwijl de hand de woorden op papier zet en het hoofd nog aan het dromen is, die poëzie moet wel prachtig zijn. En dat is ze ook.

Gloed

Hendrik de Vries werd honderd jaar geleden geboren; hij stierf in 1989. Hij heeft zijn leven lang aan de rand van Nederland gewoond, in de stad Groningen en later in Haren. Ook in de stad verkoos hij een uithoek om te wonen en te dichten, te schilderen en te tekenen: de wijk rondom het Noorderstation, aan de noordkant van de stad dus, waar ook de Ploeg-schilders hun atelier hadden. Ik heb daar gewoond, nog ver voordat nieuwe buurten als Paddepoel en Selwerd werden gebouwd. Ging je in noordelijke richting een paar straten door, met namen als Akkerstraat, Tuinbouwdwarsstraat en Moesstraat, dan bevond je je na een paar minuten in het weidse, door de zon hel beschenen Groningse landschap. Zelfs bij regen en mist hing er een geheimzinnige, lichtende gloed boven het land. Over Hendrik de Vries hoorde ik weleens verhalen; vooral dat van die verduisteringsgordijnen vergat ik niet. Ook scheen hij 's nachts over daken te lopen en door dakgoten te struinen.

Elke jongeman die gedichten gaat schrijven, schrijft zijn eerste achter dichtgetrokken gordijnen. Het vreemde van Hendrik de Vries is dat hij zijn leven lang trouw is gebleven aan dit misschien toch wel buitenissige gedrag. Voor hem was dat op zijn twintigste, dertigste niet over.

Er bestaat in de Nederlandse letterkunde geen poëzie die vergelijkbaar is met die van Hendrik de Vries. Al deelde hij zijn romantische zwerfzucht en zijn expressionistische vitaliteit met dichters als Slauerhoff, Marsman en Herman van den Bergh, hij bleef een eenling. Ik ken geen poëzie waaruit menselijke sentimenten zozeer zijn gebannen als in zijn versregels. Heksen, demonen, kinderverslinders, nachtdieren, kobolden, vrouwen met 'duivelslisten' treden op in dit werk, waarvan Slauerhoff zo hield: juist wegens het inhumane karakter ervan. In zijn meer dan duizend bladzijden tellende Verzamelde gedichten is geen zoetelijk vers te bekennen. Kenmerkend voor De Vries zijn regels als de volgende: 'Dan wordt het stil; het gaat buiten sneeuwen. / Als ik dorst fluisteren, gillen of schreeuwen, / Zouden wolven, beren, tijgers en leeuwen / Die voor de trap liggen te loeren / Zich zeker verroeren.'

Het kind dat de dichter ooit was, is van zijn kinderangsten nooit verlost geraakt. Ook de bundel Sprookjes getuigt van diezelfde mengeling van kinderangsten en kinderfantasieën; als kind en later ook als volwassene genoot Hendrik de Vries van alles wat hem deed huiveren.

De Vries vroeg zich af, en in de vraag ligt zijn poëtica besloten: 'Werd ik wakker of begonnen in de droom weer nieuwe dromen?' De Vries droomde zijn gedichten en, naar het schijnt half wakend en half dromend, leerde hij ze uit zijn hoofd. Vervolgens schreef hij ze op in een handschrift dat nog het meest lijkt op dat van een middeleeuwse monnik: sierlijk, dansend bijna en tegelijkertijd heel precies, de letters als gecalligrafeerd, zonder één doorhaling. Hoezeer hij ook de bedwelming van het nachtelijke duister zocht, vaak aangewakkerd door de licht-alcoholische roes van enkele glazen wijn, hij bleef trouw aan helderheid. De Vries schreef zelden een niet-rijmend gedicht; elk van zijn verzen gehoorzaamt aan vaste vormschema's. Dat is de belangrijkste beslissing die hij als dichter nam. Om zijn verlangen naar zinsbegoocheling te beteugelen gaf hij aan zijn verzen een hechte structuur mee.

In 1920 verscheen zijn eerste dichtbundel, toepasselijk De nacht geheten. Twee jaar later kwam Vlamrood, waarin het gedicht 'Morgenschemer' als volgt begint: 'Feesten van 't heelal. / - / Kramp-gebalde stad. / Bergwallen. / Kloven. / Steeds-ontzaglijker ketenen.' En verder gaat het: 'Vensters, hoek aan hoek, flits aan flits, vuurgeel: / Juwelen / Tot gelijkste strakheid geregen, / Snoer aan snoer aan snoer.'

Modeltekenen

In een atelier aan de Noorderstationsstraat kwamen de schilders van De Ploeg bijeen om model te tekenen. Ook Hendrik de Vries bezocht het. Hij deed zelfs verwoede pogingen aangesteld te worden als lid van De Ploeg. Maar zijn tekeningen vielen niet in de smaak, en wie de Vries' schilderkunstige werk kent kan hiervoor wel enig begrip opbrengen. De Vries was een nachtdier dat uit dromen putte, de Ploeg-schilders waren zonnekinderen die het wijde land in trokken. De Vries verzette zich tegen het schilderen in de openlucht. Hij zei eens: 'Ik begon als jongen, met waterverf. Maar mij werd verteld dat een echte schilder, als die een bos wou schilderen, naar het bos toeging. Dat vond ik hel gek. Ik dacht: 'Hij weet toch wel hoe zo'n bos eruitziet.' Als ik mijn ogen dichtdeed, dan kreeg ik een veel mooier bos dan ik ooit gezien heb.'

Een mooi bos heeft Hendrik de Vries nooit geschilderd of getekend, de Ploeg-leden wel. De expressionist die De Vries in zijn gedichten was, verdween wanneer hij ging tekenen. Zijn inspiratie lag bij de Spaanse schilder Goya; hij vertrouwde aan het papier in het zwart uitgebeelde taferelen toe van demonie, angst, verwarring, dood. Zijn mens- en diergestalten hebben verwrongen, grijnzende gezichten. Jonge meisjes worden bedreigd door wellustige, gemene saters. Door de strakke huid van de portretten die hij tekende, zie je de schedel schemeren. Zo draagt elk gezicht een doodskop in zich.

De band die geleidelijk aan ontstond tussen Hendrik de Vries en schilders van De Ploeg was te danken aan zijn inzet als kunstcriticus. Hij schreef over hen in Het Vrije Volk en in culturele maandbladen. Van Hendrik Werkman vond hij dat deze schilderde zoals 'een kind zou moeten schilderen'. De tentoonstelling van De Ploeg in 1930 in Leeuwarden begeleidde hij in de catalogus als volgt: “(-) er was roekelooze drift noodig om de zoogenaamd nuchtere kleilanden aan te durven in hun werkelijke grootscheid, om hun 'proza' te vertolken in een openluchtkunst waar de zeewind geweldig doorwaait. Met een levenshonger die uitspat in orgieën van verf, heftig en ruw soms als de beruchte wijze van feestvieren in dit noorden, verloochenen deze schilders doorgaans hun academische vorming (waarvoor ze zich schamen), en wat ze hebben aan verfijning is gegroeid uit hun overmoed.”

De Vries' beschouwingen over schilderkunst zijn te lezen als credo's voor zijn poëzie. In zijn gedichten durft hij dezelfde expressionistische stijl aan die de schilders op het doek brengen. Zoals zij hun kleuren in geïsoleerde, staccato-achtige strepen en lijnen naast elkaar plaatsen, zo bouwt hij uit korte zinnen en heftige beelden zijn gedichten op. Een zin als 'Vensters, hoek aan hoek, flits aan flits, vuurgeel' uit Vlamrood zou zo de beschrijving van een schilderij van Dijkstra en Wiegers kunnen zijn, die op hun beurt werden beïnvloed door de Duitse expressionisten van Die Brücke. Jan Wiegers ontmoette een van hen, Ernst Ludwig Kirchner, in 1920 in het Zwitserse Davos. Wiegers nam Kirchners felgekleurde schilderstijl mee naar Groningen, en toen braken daar echt de grijze polderluchten in een waterval van kleuren boven de kleigrond open.

Genieëntafel

Hendrik de Vries werd aan het eind van de jaren twintig, in september 1929, wel toegelaten tot de kring van De Ploeg. Hij nam deel aan alle exposities, hij las zijn gedichten voor, hij schreef over hun werk, hij vond precies de wilde en onstuimige woorden die bij de overmoedige en heftige schilderijen pasten, hij schoof aan in het kunstenaarscafé Chez Dicque ofwel Bodega Dik aan de Guldenstraat. Hij zat schouder aan schouder met Dijkstra en Altink aan de beroemde 'genieëntafel' in deze kroeg.

En zij, de kunstenaars, brachten Hendrik de Vries een eerbetoon door hem veelvuldig af te beelden. Hoezeer de portretten door Johan Dijkstra en Jan van der Zee ook een gelijkenis vertonen met de markante kop van De Vries, ze noemden die afbeeldingen liever 'Portret van een dichter' of kortweg 'De dichter'. Daar is veel voor te zeggen. Die abstractie past bij De Vries, het type van een oerdichter, een bewogen, romantische nachtelijke zanger.

Jan van der Zee maakte in 1925 een olieverf op doek waarop een dichter aan een tafel zit. Voor hem ligt een opengeslagen boek, vermoedelijk een dichtbundel. In het donker gehouden gezicht lichten twee heldere, witte ogen op. Zo wit dat het lijkt of er neonlicht in brandt. De geportretteerde draagt een zwart colbert met daaronder een donker overhemd en zwarte stropdas. Alles draait om de lichtende ogen.

Van het schilderij bestaat slechts een zwart-wit foto; het doek is verloren gegaan. Misschien is het jasje groen of geel van kleur, is de stropdas paars, is de achtergrond gloeiend-rood gehouden. Allemaal kleuren die Van der Zee en de andere Ploegschilders gebruikten.

Toch past dit diepe zwart en heldere wit wonderlijk goed bij het beeldende werk van De Vries. Maar niet bij zijn poëzie en beschouwigen. Daarin lezen we dat het overstelpende rood en geel van De Ploeg hem aldoor heeft aangetrokken. Zo kon deze dichter van de nacht zich alsnog laten inspireren door het daglicht.