Schillerlocke; Over de bypasses in het geheugen

“Met het ouder worden schijnen je hersenen zich uit te breiden als gebladerte dat in een schaduwrijk schimmenspel de herinneringen enigszins door elkaar hutselt als een Parkinsonpatiënt een spel kaarten.” Jan Wolkers - 'bij mij spreekt het geheugen nog helder en duidelijk'- over zijn herinneringen aan de verstoting uit het paradijs van zijn vroegste jeugd. En over wc-papier als geheugensteun.

Het geheugen. Men mag het wel de speerpunt van de evolutie noemen. Met het klimmen der jaren schijnt het te verduisteren, zoals de scherpste scalpel het eerst bot wordt. En de gulden schaal in stukken gestoten wordt, en de kruik aan de springader gebroken wordt. En om de beeldspraak en wijsheid van de Prediker naar de verstikkende werkelijkheid van het verpleeghuis te vertalen, “Nee, vader, dat is de buurvrouw niet, dat is moeder. En ik ben niet de verpleegster maar je bloedeigen dochter.” Bij mij spreekt het geheugen nog helder en duidelijk. Ik heb trouwens geen dochter. Wel is het soms of een netwerk van bypasses de directe bron minder toegankelijk maakt zodat je jezelf hardop hoort denken, als je tevergeefs de naam Stendhal probeert op te diepen omdat je het gezicht van Gérard Philipe voor je ziet als Julien Sorel in de verfilming van Le rouge et le noir, “Wat is nou ook weer de schrijversnaam van Henri Beyle?”

Of de naam van de lustig bloeiende kattenstaart wil je niet te binnen schieten als je langs de vijver loopt maar wel de Engelse naam, purple loose strife, een nou niet direct gemakkelijk begaanbaar ezelsbruggetje. Met het ouder worden schijnen je hersenen zich uit te breiden als gebladerte dat in een schaduwrijk schimmenspel de herinneringen enigszins door elkaar hutselt als een Parkinsonpatiënt een spel kaarten. Ze worden geschud, maar vraag niet hoe. En soms lijkt het wel, juist omdat het lommer zo duister is, of de herinneringen er feller doorheen priemen. Een laserstraal van gecondenseerde werkelijkheid, een diamant die zonlicht uit het verleden verblindend weerkaatst. En zo gebeurde het dat ik enige tijd geleden, terwijl ik in mijn tuin liep en naar de brede schoorsteen keek die ons huis een florentijns karakter geeft, niet uitriep, nee, het werd uit me geperst alsof ik een stoot in mijn ribben kreeg, “Heb medelijden met mijn vleermuizen!” En ik zag de verbolgen tronie van de Maharadja van Eschnapur voor me en de masturbatieke La Jana die op zijn bevel levend ingemetseld moet worden in een graftombe omdat haar gedrag ten aanzien van een westerse architect naar verregaande ontrouw zweemt in de film Der Tiger von Eschnapur die ik als veertienjarige jongen in Luxor in Leiden gezien had. Ja, we hadden vleermuizen in ons avondlijke zomerwarme luchtruim. Niets maakt je zo gelukkig als een vliegend zoogdiertje in de schemering om je huis. We speurden waar ze vandaan kwamen, maar we konden er niet achterkomen. Niet uit onze schoorsteen, dachten we. Ze moesten van een boerderij uit de buurt komen en het aantrekkelijk vinden om in het maanlicht boven het zilverkleurig oppervlak van de vijver kevers kapot te knappen met hun scherp gebit. In de stilte kon je de dekschilden smakkend horen verkraken. Maar toen de novemberregens ons huis geselden en er door de schoorsteen te veel hemelwater het huis binnenkwam en de binnenmuren natsijpelde, liet ik de schoorsteen dichtmetselen. Wie dacht er in het barre najaarsweer aan het mysterieuze gefladder in de zomerschemering. Die schoorsteen had trouwens geen enkele functie meer. Hij was er alleen voor de open haard en die had ik toen we hier kwamen wonen meteen laten wegbreken om plaats te maken voor mijn boekenkast. Een schrijver moet geen open haard bezitten. Dat is bijna even fnuikend als een bubbelbad. Door lekkend vlammenspel en de vurige gloed der dennenkegels opgehitst komt hij er maar al te vaak toe om ongecoördineerd over het verleden te gaan leuteren waarbij niet zelden een platweg geil familielid tot Trojaanse heldin wordt getransformeerd en een oprechte gereformeerde middenstander wordt opgestoten in de vaart der wolken en geacht wordt water uit de rots te slaan. En zij zag, dat zijn opwaaiend haar ravenzwart was boven zijn sneeuwblanke hals en aangezicht, en dat zijn zingende lippen rood waren als het bloed, en als vuurvlammen zo levend.

Maar de vleermuizen waren we voorgoed kwijt, hoe verlangend we ook naar ze uitkeken in de zomeravondschemering. En ik heb wel eens gedacht dat die radargeladen fladderende stukjes duisternis onze oudste herinneringen zijn, dat ik met die in diepe winterslaap gedompelde diertjes ook een deel van mijn geheugen heb ingemetseld. En natuurlijk vertelde later een van mijn huisgenoten dat ze bij de eerste voorjaarswarmte nageltjes had horen krassen achter de muur. Maar ze had geen moment aan vleermuizen gedacht die zich uit de verstikkende duisternis probeerden te bevrijden maar aan een verdwaalde rat die een uitweg zocht.

En zo kan ik niet naar de schoorsteen kijken zonder die lijkjes voor me te zien, uitgedroogd als slierten gerookte doornhaaienbuik, die nota bene in de viswinkel verkocht worden onder de naam Schillerlocke.

In Henderson the Rain King van Saul Bellow vindt de hoofdpersoon in een van de boeken uit de nagelaten bibliotheek van zijn vader een spreuk die een diepe indruk op hem maakt. The forgiveness of sins is perpetual and righteousness first is not required. Als hij later die spreuk niet meer terug kan vinden hoewel hij vele boeken doorbladert, ondekt hij dat zijn vader bij passages die hij belangwekkend vond een bankbiljet tussen de pagina's stak, van vijf, tien of twintig dollar, net wat hij bij de hand had. Koortsachtig gaat hij dan alle boeken uitschudden zodat de biljetten naar de grond dwarrelen als aangeschoten spreeuwen en hij op den duur tot zijn enkels in het slijk der aarde staat. Maar die uitspraak vindt hij niet meer terug. Dat komt ervan als je de jacht naar geld laat prevaleren boven het zoeken naar wijsheid. Dan gooi je onverwijld je gemoedsrust te grabbel. Maar het verwonderlijke is dat Saul Bellow er niet de minste aandacht aan schenkt dat zijn hoofdpersoon zodoende ook nog eens de geestelijke erfenis van zijn vader vernietigt. Een vadermoord in optima forma. Ik besteed hier aandacht aan ten eerste omdat ik vind dat een schrijver van het formaat van Saul Bellow zo'n thema niet zomaar over het hoofd mag zien en vervolgens uit vrees dat mij dat ook zou kunnen overkomen.

Nee, ik steek geen bankbiljetten in mijn boeken bij passages die ik belangrijk vind, maar eenvoudige velletjes wc-papier. Ik doe dat al veertig jaar. Sommige van mijn boeken zien eruit - omdat de velletjes er van boven buiten steken en toiletpapier in korte tijd verkleurt - alsof ze in de traanketel gekookt zijn en daarna afgeblust met een fijnzinnig laagje stof. Nu moet men niet de indruk krijgen dat ik als ik van de boekhandel kom nog even de supermarkt in loop om een extra rol toiletpapier te kopen en me daarna in mijn bibliotheek terugtrek. Nee, het vindt gewoon plaats op de wc. Het is eigenlijk een medische kwestie. Als je 's nachts benauwd wordt door een astmatische aanval kan je die nergens zo goed opvangen als in wat men wel het kleinste kamertje in huis noemt. Een toiletpot met goede bril, de ellebogen steunend op de dijen, een goed boek in je handen, dat is de beste remedie. En dan maar velletjes toiletpapier afscheuren bij gewraakte of bewonderde passages. Menig astmalijder die de verstikkingsdood gestorven is zou, mits van literatuur voorzien en op tijd ter pot gebracht, het er levend hebben kunnen afbrengen. Ik heb alleen één angst, dat de executeur-testamentair na mijn dood door een vreselijke buikloop overvallen wordt - in de schaduw van een dode loopt het je toch al dun door de broek, zoals het onsmakelijke gezegde wil - terwijl er geen toiletpapier in huis is, zodat hij met bibberende knieën en samengeknepen billen de vergeelde velletjes uit al mijn boeken ritst om de vrije loop van de natuur te verwijderen op dezelfde plaats en met hetzelfde broze materiaal waarmee ik dacht een bastion voor mijn geheugen te hebben opgetrokken. Vele duizenden passages die me lief waren en betekenisvol zouden zijn verdwenen. Het zou zijn alsof in mijn hersens honderden gangen met archiefkasten vol belangwekkende documenten dichtgeslibd waren. Dan zou nooit iemand weten dat ik in The Collected Earlier Poems van William Carlos Williams een velletje gestoken had bij het gedicht Death. He's dead/ the dog won't have to / sleep on his potatoes / any more to keep them / from freezing. En niemand zou ooit kunnen bevroeden dat ik toen ik dat gedicht las, dacht aan het langzaam verkillen van je scrotum als je op je sterfbed ligt. En geen sterveling zou er weet van hebben dat dat schitterende gedicht Mr. Edwards and the Spider van Robert Lowell langdurig door mijn hoofd gespookt heeft. I saw the spiders marching through the air, / Swimming from tree to tree that mildewed day / In latter August when the hay / Came creaking to the barn. But where / The wind is westerly, / Where gnarled November makes the spiders fly / Into the apparitions of the sky, / They purpose nothing but their ease and die / Urgently beating east to sunrise and the sea. En natuurlijk de sublieme brieven van Raymond Chandler. Dat boek is bijna eens zo dik geworden. Er steekt een onsmakelijke zwabber van halfvergaan papier bovenuit. Wuthering Heights! Daar zit ook zoveel tussen dat je jezelf als met een waaier er koelte mee toe zou kunnen wuiven als het niet zo stoffig was. Nijhoff. Geen honing maar eenzelvige rebellen. Hölderin. Ihr holden Schwäne, / Und trunken von Küssen / Tunkt Ihr das Haupt / Ins heilignüchterne Wasser. Iedere keer als ik dat adembenemende gedicht las, had ik de zwaan weer in mijn armen die ik als jongen van veertien wilde laten wegvliegen vanaf het balkon waar hij, met zijn grijze poten bij elkaar gebonden, ernstig en lijdzaam lag te wachten op de bijl en het hakblok om te dienen als wildbraad voor het kerstmaal van 1939. Ihr holden Schwäne. Al die duizenden zinnen en passages schieten in duizelingwekkende vaart om mij heen als schril tjirpende vogels van papier gevouwen. Van wc-papier natuurlijk.

Enige tijd geleden werd ik 's ochtends wakker, op mijn rug met mijn armen gestrekt opzij terwijl ik gewoonlijk zo in elkaar gevouwen ontwaak, een bijna embryonale houding, dat ik zonder enige moeite in een circuskanon het luchtruim in geschoten zou kunnen worden. Ik moest denken aan een kruisiging, maar luchtig, zonder spons met edik of betekenisvolle kruiswoorden. La Ricotta van Pasolini. Na het opnemen van een bijbelse film wordt een figurant die gekruisigd op de grond ligt door de regisseur en de acteurs vergeten en sterft de hongerdood aan het kruis terwijl er vlakbij hem een voedzame kwarktaart in het gras staat. Een hilarische film die je glansrijk bevrijdt van het loodzware ten hemel schreiende Eli, Eli, lama sabachthani! Maar achter die eerste gedachten tussen dromen en waken zag ik ineens het interieur van onze vroegere kerk. De roodbruin gebeitste banken alsof ze gesausd waren met het bloed van de hecatomben uit het Oude Testament, de doopvont met de tekst op de zijkant uit Handelingen 2 vers 39, Want U komt de belofte toe, en Uwen kinderen, de kruisvormige verlichting boven in het plafond, de lange smalle ramen van glas in lood. Ik zat meteen rechtop in bed want ik werd onpasselijk van de kleuren van het glas, die ik mijn jongenstijd lang iedere zondag tweemaal anderhalf uur aanschouwd had. Een onbestemd violet, groen en geel dat het binnenvallende daglicht vervuilde.

Het oppervlak van het glas zag eruit als eerste-nachts-ijs. Alsof men tevergeefs geprobeerd had het flinterdunne laagje strak te trekken. Mondriaan zag ik voor me met zijn Geneefse uiterlijk en de eenzelvige en lichtelijk wrokkige trekken van de uitgestorven walgvogel. En daarna Paul Citroen die een reproductie naar een schilderij van de strakke meester bewonderend voor ons ophield. 'Mensch, mensch, dat is toch wás, nicht!' En daardoorheen, als het ware superimposed, alsof het met een grove varkensharen borstel gepenseeld werd, het opgekamde haar van onze kunstgeschiedenislerares, doctoranda Jacometti. We zaten in het kunstgeschiedenislokaal van de Haagse Academie van Beeldende Kunsten, een paar jaar na de oorlog. Jacometti was verhinderd en daarom nam Paul Citroen, die schilder- en tekenles gaf aan de Academie, het van haar over. Een belevenis! Het was onmogelijk om dat nog ooit te vergeten. Op ravenwieken schoot hij door de geschiedenis van de kunst. Van de slangengodinnen van Kreta met hun uitdagende siliconenborsten uit hun opengespleten gewaad tot aan de kunstenaars van Das Bauhaus, waar hijzelf ook nog gewerkt had voordat Hitler de hemel boven Germanië in de bruine was van de rancune van de Spiessbürger zette. Het was adembenemend, ook voor hem. Soms spottend zijn joods-duits accent overdrijvend, dan dodelijk ernstig als hij het over de schilders van Die Brücke had. Dan weer zo vurig begeesterd dat je bang was dat hij tot een schilderij van Kandinsky uit elkaar zou spatten. Er werden lijnen getrokken als regenbogen en het rookspoor van sissense vuurpijlen. Van de Profeet van Donatello naar de Burgers van Calais van Rodin, van de Madonna del Granduca van Rafaël naar de zaadeisende blik van Marlène Dietrich in Der Blauwe Engel, van Eskimokunst uit Alaska naar Gerrit Rietveld. En toen kwam dat schilderij van Mondriaan. Het was of ik een doffe klap tegen mijn schedel kreeg, of ik weer als jongen in dat beroerde licht zat dat door de kerkramen naar binnen druilde. Het was niet zo'n schilderij in primaire kleuren zoals hij later maakte, maar uit de periode dat hij nogal monochroom bezig was, met verfijnde kleurnuances. Zo op het eerste gezicht leek het wel erg op die kerkramen uit mijn jeugd. Het heeft jaren geduurd voor ik me voor zijn werk ging interesseren. Maar zoals zo vaak bij een eerste afwijzing was de liefde toen stormachtig.

Bijna twee decennia later ontmoette ik Paul Citroen weer. Van mijn uitgever had hij de opdracht gekregen om een portret van mij te maken en ik hoopte dat het net zo indrukwekkend zou worden als het portret dat hij van Anna Blaman had vervaardigd. Na die enerverende kunstgeschiedenisles had ik hem nooit meer gezien, en ik verwachtte, alsof de tijd ooit stilstaat, dat ik dezelfde bezielde man zou ontmoeten. Toen ik zijn atelier binnenkwam vond ik hem er vermoeid uitzien. Er was nog wel vuur in zijn blik, maar alsof de vlammen door een haardscherm getemperd werden. Asch, en àl minder vonken. Toen ik hem vertelde dat ik onder zijn gehoor was geweest tijdens die laaiende kunstgeschiedenisles, dat explosieve jongleren met klanken en vormen, bleek hij er niets meer van te weten. Hij keek verwonderd op toen ik hem vertelde van de verbale uitspattingen en schokkende vergelijkingen waarmee hij ons om de oren had geslagen. En zo hoort het misschien ook wel, hoewel ik toen mijn teleurstelling nauwelijks kon verbergen. Een orakel moet geen weet meer hebben van zijn bezweringskunsten.

De ramen zijn nog tot daaraan toe maar hoe komt het in hemelsnaam dat iemand zo'n hele klomp gereformeerde baksteen uit de grond van zijn hart haat. Er zijn honderden van zulke kerkjes waaruit zondags de lofzang opklinkt tot U met stil ontzag. En onze vroegere dominee, Eringa, was allesbehalve een bekrompen exegeet. Hij is zelfs nog door de ouderlingen van zijn gemeente gekapitteld omdat men vond dat hij zich te veel met astronomie bezighield. De relativiteitstheorie begon een beetje door te dringen en zelfs in een populair weekblaadje dat voornamelijk aandacht besteedde aan vermeende wetenswaardigheden over filmsterren, stond een artikeltje over Albert Einstein. Dat hij maar één stukje zeep in huis had dat hij zowel om zich te wassen als om zich te scheren gebruikte. Omdat hij het leven al gecompliceerd genoeg vond. En die uitspraak voorzien van een vetgedrukt uitroepteken. Zo van, moet je nagaan die Einstein die nota bene... Nou, de rest wisten ze ook niet. Maar onze dominee dacht misschien te ontdekken dat de vierde dimensie God zelf was, voor wie immers duizend jaar is als één dag. Nu zal men waarschijnlijk beweren dat mijn diepe wrok tegen dat terracotta omhulsel, dat men ook wel godshuis pleegt te noemen, waar het Vleesgeworden Woord aanbeden wordt, voortspruit uit het verlies van de kinderlijke onschuld, die met ontestamentische preken over broedermoord, bedrog, sodomieterij en hoererij verpulverde als een blaassilene in een lasvlam. Dat ik figuurlijk daar ter plekke vanaf de kansel uit het paradijs verdreven ben.

Nee, het zit dieper. Want tegen ons eerste gereformeerde kerkje, eerder een kapel die dan ook Rehoboth-kapel heette, waarin ik door professor Klaas Schilder (van artikel 31), maar dat was vele doopplechtigheden later) gedoopt ben, koester ik niet de minste wrok. Het is, vooral bij sneeuwval, een lieflijk kerstplaatje waar het, onder het knusse rieten dak, veilig toeven moet zijn geweest voor het kuddeke des Heren tegen de verdorvenheden der wereld. Omdat er in Genesis 1 vers 28 wel staat, 'Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u', maar niet met hoeveel, puilde het kerkje al snel uit door het wassende aantal zielen, zodat de kerkenraad het oog liet vallen op een onbebouwd stuk grond daar in de buurt. En zij zagen dat het een lust was voor de ogen en begeerlijk om verstandig te maken. En zo ben ik letterlijk uit het paradijs van mijn vroegste jeugd verstoten, want als de seizoenen en het weer meewerkten kwam ik er bijna dagelijks. Vanaf mijn tweede jaar met mijn moeder in gebloemde zomerjapon en met mijn broertjes en zusjes (zetten jullie je veldezel maar neer, impressionisten aller landen) toen ik wat ouder was alleen. Het was een uitgestrekt stuk grond, zeker voor een kind. Je zou er gemakkelijk een forse gereformeerde kerk op kunnen bouwen en zelfs nog ruimte overhouden voor brede grindpaden waarover de gemeente knersend en knarsend gesticht huiswaarts zou kunnen keren. Het werd begrensd door weelderige tuinen zodat het als een kom lag in de heesters en het geboomte en het was begroeid in woeste uitbundigheid met dreumeshoge gewassen. Tussen ruige bossen zilvergroene bijvoet, die blikkerden in de zon als er wind stond, brandnetels en zuring waren weideachtige stukken vol madelieven, boterbloemen, wonderlijk geaarde grassen en witte en rode klaver. En boven en om en onder die gewassen wemelde het van de sprinkhanen en torretjes en kevers in allerlei kleuren en vormen en van de fladderende en bladstil gevouwen vlinders. Als je erdoor waadde vloog en bewoog alles voor je uit. Vooral van de kleine blauwe vlinders kreeg je pijn in je ogen van hun schoonheid. Als ze dichtgeklapt op een bloem zaten waren ze parelgrijs maar als ze opfladderden spetterde het blauw tussen al het groen alsof ze de hemel weerspiegelden. Maar toen ik er in de herfst van 1933 heen ging om te onderzoeken waar de vlinders bleven als het winter werd, was het paradijs vernield. Het was een bouwput vol diepe sleuven waarvan sommigen al met cement waren volgestort voor de fundering van de nieuwe kerk. Er lagen bergen grind en stapels bakstenen zo hoog als graftombes en er was een diepe put met ongebluste kalk waar ik balorig inliep zodat ik tot mijn knieën onder de witte kledder thuiskwam. In november van dat jaar legde onze dominee, die jaren later tegen mij zou zeggen toen ik Uren met Nietzsche gelezen had dat ik me eerst maar eens in Augustinus moest verdiepen, de eerste steen. Zo'n levenloze baksteen. Erbij kwam een tekst uit Efeze 2, Jezus Christus is de uiterste hoeksteen.