Politiek moet te rade gaan bij literatuur, niet omgekeerd

Politiek en literatuur hebben zich in deze eeuw opgesloten in aparte werelden. Voor de letteren is dat een zegen geweest, voor de politiek is het schadelijk. Door deze scheiding der geesten heeft de politiek zich opgeknoopt aan een vooruitgangsgeloof dat het menselijk tekort miskent. De politiek zou zich opnieuw door de literatuur moeten durven laten inspireren.

Kunnen idealen nog een nuttige functie vervullen in de hedendaagse politiek? Het koppel idealisme en politiek is tamelijk jong, ongeveer driehonderd jaar, maar lijkt zich gedurende die periode tot een ijzeren as te hebben ontwikkeld. In de Verlichting kwam het idee op dat het menselijk brein, de ratio, een middel is om de weg te vinden naar de volmaakte, ideale samenleving. De vooruitgang naar deze harmonieuze orde gaf zin aan een historische ontwikkeling die een happy end moest krijgen.

Na de Franse Revolutie kreeg deze overtuiging in Europa groeiende invloed, maar vooral aan het eind van de negentiende eeuw nam ze de gedaante aan van een politieke verlossingsgedachte. De successen in het wetenschappelijke onderzoek, de industriële revolutie en de opkomst van de massademocratie oefenden een ontwrichtende werking uit op de vertrouwde ordening van sociale hiërarchie, gezin en kerk. God is dood, schreef Nietzsche. De politiek, geïnspireerd door de vooruitgang in de wetenschap, diende zich in twee varianten aan om dit vacuüm te vullen en een nieuw, zinvol perspectief te bieden. Volgens het socialistische ideaal gloorde aan de einder het beloofde land van de klassenloze samenleving. Het nationalisme prees de eigen natie aan als het bezielde verband dat een desintegrerende samenleving nieuwe toekomstkansen kon geven.

De nationalistische tocht naar het beloofde land leidde tot de Eerste Wereldoorlog, een massaslachting die het oude Europa definitief uit zijn voegen tilde. Onder invloed van de nog toegenomen desoriëntatie keerden socialisme en nationalisme terug in de doctrinaire gedaantes van het Sovjetcommunisme en het Duitse nazisme. Beide systemen bewezen nog eens hoe de wereld van het extremistische idealisme leidt tot de praktijk van het politieke slachthuis. Stalins terreurstaat maakte tientallen miljoenen slachtoffers. Het nationaal-socialisme werd niet minder geïnspireerd door een vooruitgangsfilosofie die een stralende toekomst beloofde, niet van een klassenloze samenleving, maar van een Germaanse Volksgemeinschaft. De massamoord op de joden vloeide voort uit de doelstelling het superieure Arische ras met een technisch-wetenschappelijk perfectionisme van alle minderwaardige elementen te zuiveren.

In 1945 kwam er een einde aan het nazisme, in 1991 aan het Sovjetcommunisme. Was het toen ook afgelopen met het in diskrediet geraakte verbond tussen idealisme en politiek? Het tegendeel bleek het geval, want het einde van de Koude Oorlog werd juist opgevat als een doorbraak in de vooruitgang. Ook de liberale democratie is een kind van het optimistische Verlichtingsdenken en haar overwinning op het communisme was voor Francis Fukuyama aanleiding het happy end van de geschiedenis af te kondigen. Hij was lang niet de enige die meende dat, zeker in Europa, het tijdperk van harmonieus samenwerkende democratieën was aangebroken. De Europese Gemeenschap veranderde haar naam alvast in Europese Unie: eenheid zou de toekomst van het oude continent bepalen.

Op het moment dat de regeringsleiders in december 1991 dit besluit namen, werd de middeleeuwse Kroatische stad Vukovar door Servische granaten aan flarden geschoten. De oorlog in Joegoslavië bewees dat Europa etnische haat en politieke moordzucht geenszins in het kader van de vooruitgang achter zich had gelaten. De lidstaten van de Europese Unie keken toe, onderling verdeeld en machteloos.

Deze naties bleken bovendien intern ook al niet in het tijdperk van de harmonie te zijn gearriveerd. Nu de democratie haar belangrijkste tegenstander kwijt was, dreigde ze gefixeerd te raken op haar eigen tekortkomingen. Misstanden die al lange tijd heersten, werden uitvergroot. Na de val van het communisme rest de splinter in het eigen oog en de neiging is groot om van die splinter een balk te maken.

Een gevoel van stuurloosheid grijpt om zich heen. Hoeveel mensen hebben inzicht in ongrijpbare verschijnselen als de informatietechnologie, die alle grenzen overschrijdt, of de globalisering van geldmarkten, die zich aan interventie onttrekt maar wel de marges van de economische politiek bepaalt? Het idee het machteloze slachtoffer te zijn van een 'sociale zeeziekte', zoals de Duitse schrijfster Dorothea Dieckmann het noemde, wint terrein. Als dit gevoel versterkt zou worden als gevolg van een economische crisis die de materiële veiligheid bedreigt, groeit het gevaar dat men wederom zijn toevlucht zoekt in een politieke utopie. Hoe hoger de wanhoopsspiegel, hoe groter de kansen voor een idealisme dat totale oplossingen belooft. Het socialisme mag dan (voorlopig?) als verlossingsideaal hebben afgedaan, het nationalisme is in ex-Joegoslavië en Rusland een actueel gevaar en dat kan het elders in Europa weer worden.

Is dit perspectief van een mogelijke terugval in een primitief fanatisme te zwartgallig? In mei 1917, het slachtveld van een ontketend nationalisme overziende, schreef Thomas Mann in zijn Betrachtungen eines Unpolitischen dat het geloof als zou de politiek het geluk op aarde kunnen brengen, definitief had afgedaan: “De politiek is tot in haar botten gecompromitteerd”. Deze woorden, geschreven toen het communistische stelsel nog niet bestond en het nationaal-socialisme nog moest worden uitgevonden, bewezen dat Mann zich volledig verkeek op de hardnekkigheid van een vooruitgangsdenken waarin een ontwrichte Europese samenleving houvast bleef zoeken.

Is de kans ons te bevrijden uit de honderden jaren oude kerker van deze filosofie aan het eind van de twintigste eeuw nog even klein? Roept een poging om dit doel te bereiken niet het gevaar op dat elk baken wordt opgegeven en dat we ons overleveren aan een post-modernistisch relativisme, juist in een periode die vraagt om sturing en oriëntatie? Of is er een middenweg tussen een nihilistische onverschilligheid en een vooruitgangsgeloof dat zich vastbijt in een vorm van politiek idealisme?

Pagina Boeken 2: 'Miljoenen eeuwen chaos van goed en kwaad'

Die weg kan alleen geplaveid worden met de erkenning dat de politiek weliswaar de belangrijke opdracht heeft misstanden te bestrijden, maar dat succes bij de vervulling van die taak nog geen vooruitgang betekent. Er dreigt niet alleen altijd terugval, ook roept elke maatregel haar eigen problemen op. De verzorgingsstaat, het resultaat van overheidsinterventie in de economie, verhoogde het niveau van onze beschaving door alle lagen van de bevolking materiële veiligheid te verschaffen, maar leidde ook tot grootschalige bureaucratisering en economische stagnatie.

De term 'oplossing' zou uit het politieke vocabulaire geschrapt moeten worden. De mens is een tragisch wezen: in zijn universum worden problemen niet opgelost, maar hoogstens beheerst ten koste van nieuwe moeilijkheden. Die beperking betekent echter niet dat de taak om problemen in de hand te houden minder belangrijk wordt. Integendeel, de overleving van de democratie is afhankelijk van het succes waarmee deze opdracht wordt vervuld. De vlucht in een politieke mythe, dan wel in een verlammende onverschilligheid, is alleen te vermijden als het democratisch bestuur enigszins greep krijgt op problemen als structurele werkloosheid, straatcriminaliteit, drugshandel, kindermishandeling, ronddwalende thuislozen, verpaupering van woonwijken, voortschrijdende vergrijzing, corruptie in overheidsdiensten - om nog maar te zwijgen over de noodzaak herlevend nationalisme en internationale geldhandel in bedwang te houden.

Tegelijkertijd dient echter het inzicht te groeien dat maatregelen tegen misstanden geen onderdeel zijn van een vooruitgangsproject dat leidt tot definitieve oplossingen. Juist in een democratie is het heel moeilijk dat besef te laten doordringen, omdat zoals gezegd ook het democratische stelsel - inclusief zijn belangrijkste politieke groeperingen, de liberalen en de sociaal-democraten - een produkt is van het vooruitgangsdenken. Vooral in de verkiezingstijd komt deze handicap naar voren. Dan worden grote beloftes gedaan en slogans gehanteerd die excessieve verwachtingen wekken. De verloedering van de politiek is een gevolg van de kloof tussen de resultaten die doelmatig bestuur kan bereiken en de oplossingen die in het vooruitzicht worden gesteld. Het afnemende vertrouwen in de politiek wordt veroorzaakt door haar eigen hoogmoed, die wordt afgestraft met ongeloof, teleurstelling en onverschilligheid.

Die ontwikkeling is alleen te keren als de politiek haar eigenwaan afwerpt en erkent dat ook politiek handelen, hoe nuttig en noodzakelijk ook, onderdeel blijft van het tragische lot der mensen. Vreemd genoeg zou voor die omschakeling slechts een aanpassing nodig zijn aan de democratische politiek van alle dag, die al heel lang in het teken staat van de doelstelling praktische problemen op een pragmatische manier te beheersen. Het politiek denken in termen van idealen loopt in dit opzicht achter bij de werkelijkheid. De schijnwereld der idealen lijkt een onmisbaar houvast. Als dat niet zo was, zou de sociaal-democratie - die nog genoeg sturend werk te doen heeft - niet zo ontredderd zijn sinds haar 'progressieve' ideaal van de verzorgingsstaat in de knel is geraakt. En de liberalen zouden zich sinds de jaren tachtig minder hebben laten meeslepen door het triomfalisme rond de heilige graal van de vrije markt.

Toch zijn sinds het einde van de Koude Oorlog de omstandigheden gunstiger dan ooit om de achterstand in te halen die het politieke denken op de realiteit heeft. Sinds het verdwijnen van het communisme heeft de democratie zijn laatste anti-democratische concurrent verloren in de wedloop van de vooruitgang die sinds enkele eeuwen onze horizon bepaalt. De communistische aftocht maakt ruimte om afstand te nemen van dit perspectief, te erkennen dat er geen ideale oplossingen bestaan en dat een nieuwe oriëntatie moet uitgaan van het besef dat de mens sinds de dood van God weliswaar op de troon zit, maar daarmee nog geen heerser over zijn eigen lot is geworden.

Dromen kan niet meer, schreef Peter Sloterdijk in zijn vorig jaar verschenen Falls Europa erwacht. Het enige wat de politiek nog rest, is aansluiting zoeken bij een tragisch levensgevoel dat de noodzaak tot matiging respecteert en rekening houdt met de mogelijkheid dat de mens vervalt tot barbarij. Dat laatste betekent bijvoorbeeld in de praktijk van de Europese verhoudingen dat niet gestreeft dient te worden naar de ideale 'unie' waarin de nationale staten opgaan en waarin hun volksvertegenwoordigingen bevoegdheden overdragen aan het Europese Parlement. Deze utopie wekt een niet in te lossen belofte, omdat geen enkel Europees volk bereid is de band met de eigen natie op te geven voor een Europese identiteit die niet bestaat. De hooggestemde doelstelling van de eenheid roept daarom slechts een averechts effect op in de vorm van ergernissen, weerstanden en verwijten die de bestaande samenwerking nadelig beïnvloeden. Veel heilzamer zijn pragmatische pogingen om nationale belangen op elkaar af te stemmen en bijvoorbeeld te proberen de Middeneuropese naties de helpende hand te bieden. Deze doelstelling is minder spectaculair, maar wel effectiever in het kader van de pogingen te voorkomen dat Europa in de toekomst wederom het toneel wordt van de toorn der naties, zoals de Amerikaanse auteur William Pfaff het in zijn aanval op het politieke vooruitgangsdenken noemde (The Wrath of Nations, 1993)

De taak van de politiek is niet beperkter geworden, zoals vaak is beweerd sinds 'het einde van de ideologie' werd afgekondigd. Er blijven talrijke misstanden en dreigingen die om politieke interventie vragen. Nodig is echter dat de politiek haar pretenties bijstelt, meer bescheidenheid aan de dag legt en aanvaardt dat we niet vooruit gaan maar slechts veranderen. Die verandering bestaat onvermijdelijk uit een combinatie van voor- en achteruitgang, omdat elke 'verbetering' óók nadelen brengt.

Is de alledaagse praktijk niet een te prozaïsche inspiratiebron om deze omschakeling in het politiek denken te stimuleren? De politiek zou ook te rade kunnen gaan bij de literatuur. Waarom zijn bijvoorbeeld de Griekse tragedies en de stukken van Shakespeare nog zo levend en aansprekend? De mensen die in deze eeuwenoude werken worden opgevoerd, zijn nog steeds herkenbaar en herinneren ons eraan dat we in ons gedrag hetzelfde zijn gebleven, niet vatbaar voor vooruitgang. Nu de oude plattegrond van het vooruitgangsdenken zijn waarde als wegwijzer voor de politiek heeft verloren, kan de literatuur een nieuw kompas bieden, namelijk het kompas van het tragische levensbesef.

Sinds de Verlichting hebben politiek en literatuur zich tot vrijwel zelfstandige domeinen ontwikkeld. Voor de politiek is deze ontwikkeling schadelijk geweest. Het politieke en literaire circuit hebben zich van elkaar gescheiden sinds het politieke denken in de greep raakte van idealisme en vooruitgang. Zeker in de twintigste eeuw heeft het politieke idealisme - vooral het communisme - geprobeerd een zogeheten geëngageerde literatuur tot leven te wekken. Die pogingen bleven vrijwel zonder succes doordat de resultaten in artistieke waarde achterbleven: mensen werden vermaakt tot karikaturen in dienst van een politiek ideaal. Het communistische stelsel was slechts aanleiding tot literaire verbeelding van kwaliteit voor zover het auteurs (Orwell, Koestler, Solzjenytsin) inspireerde die zich tégen het systeem keerden.

Voor het overige bleven politiek en literatuur worlds apart. De democratische politiek kan alleen maar winst boeken door te erkennen dat ze veel meer verwantschap vertoont met de literaire werkelijkheid dan met de wereld van de vooruitgang. Een poging de kloof met de literatuur te overbruggen zou inhouden dat de politiek zich laat inspireren door de tragische opvatting over het lot van de mens die zo vaak een vertroostende literaire verbeelding heeft gevonden. Het politieke metier zou aan zin en betekenis winnen als het besef toeneemt dat het vaak tekortschietende maar niettemin vaak eerzame geschipper van onze politici onderdeel is van een wereld waarin heel veel te doen blijft, maar waarin geen vooruitgang mogelijk is.

Voor het opdoen van inspiratie hoeft zeker niet te worden teruggegrepen naar de oude Grieken. In 1857, toen het doctrinaire idealisme van de late negentende eeuw nog gestalte moest krijgen, schreef Lev Tolstoi in zijn novelle Uit de aantekeningen van vorst D. Nechljoedov. Luzern: “Als de mens alleen maar... zou begrijpen dat in iedere gedachte leugen en waarheid verweven zijn. Leugen door de eenzijdigheid, die voortkomt uit het onvermogen van de mens de hele waarheid te bevatten; waarheid, omdat het een weerspiegeling is van een facet van het menselijk streven. De mens heeft zich een indeling gemaakt in deze eeuwig bewegende, oneindige, zich steeds mengende chaos van goed en kwaad. Hij heeft over deze zee denkbeeldige lijnen getrokken en verwacht, dat de zee zich ook zo zal delen. Alsof er niet miljoenen andere indelingen bestaan, vanuit een totaal verschillend standpunt... Weliswaar worden er van eeuw tot eeuw nieuwe indelingen uitgewerkt, maar miljoenen eeuwen gingen voorbij en miljoenen zullen er nog voorbij gaan.”