Paul de Groot (1899-1986); Een achterdochtige veelvraat

Igor Cornelissen: Paul de Groot. Staatsvijand nr. 1. Nijgh & Van Ditmar, ƒ 39,90

Niet het communistische dagblad De Waarheid, maar het 'burgerlijke' Vrij Nederland meldde begin augustus 1986 als eerste de dood van Paul de Groot in een joods bejaardentehuis te Bussum. Het was een wereldprimeur want The New York Times nam het overlijdensbericht van 'the former Dutch Communist leader' over. De 87-jarige Paul de Groot stierf eenzaam. In 1977 had hij als erelid van de CPN voor het laatst geprobeerd op klassiek stalinistische wijze de Nederlandse communisten zijn wil op te leggen. Toen dat mislukte, was zijn rol uitgespeeld en raakte hij in de vergetelheid.

De journalist, die het nieuws van De Groots verscheiden wereldkundig maakte, was de voormalige trotskist Igor Cornelissen. Jarenlang had hij de leiding van de CPN, inclusief Paul de Groot zelf de stuipen op het lijf gejaagd met zijn artikelen over het interne reilen en zeilen van de communistische partij. Cornelissen was wat men een 'Felix-watcher' noemde. Felix Meritis, het neo-classicistische gebouw aan de Amsterdamse Keizersgracht waar het bestuur van de CPN en de redactie van De Waarheid zetelden, interesseerde hem mateloos. In de jaren zestig ging hij speciaal in het overwegend door partijgenoten bezochte restaurant eten in de hoop er een glimp van de geheimzinnige Paul de Groot op te vangen. Jaren later las hij in rapporten van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) dat De Groot zelden of nooit in het restaurant van Felix Meritis kwam. De BVD luisterde De Groot 25 jaar lang thuis af en zo wist men dat hij tegen zijn tweede vrouw, Eke, had gezegd dat hij het partij-restaurant 'onverantwoord' vond. Men nam er fooien aan, en fooien waren 'het begin van corruptie'.

Cornelissen bleef gefascineerd door de onbenaderbare De Groot, voor de BVD een geduchte staatsvijand, maar voor hem in toenemende mate een tragische, oude joodse man, die onuitsprekelijk leed uit de oorlog meetorste.

Tien jaar na De Groots dood heeft Cornelissen zijn jarenlange speurtochten naar de hebbelijk- en onhebbelijkheden van de voormalige communistenleider opgetekend in een curieuze biografische schets onder de titel Paul de Groot Staatsvijand nr.1. Curieus is het boek vooral omdat Cornelissen de eerste 'onpartijdige' biograaf van De Groot is: hij was nooit lid van de CPN, heeft geen rekeningen te vereffenen en hoeft ook niets goed te praten. Omdat hij tegelijkertijd anders dan alle andere anticommunisten als romanticus een onmiskenbare empathie voelt met De Groot, kreeg hij toegang tot bronnen die tot nu toe ontoegankelijk waren. Cornelissen leunt als het om de geschiedenis van de CPN gaat zwaar op boeken van voormalige communisten als Henk en Wouter Gortzak, Ger Harmsen, A.J. Koejemans, Gijs Schreuders en Ger Verrips. Maar het levensechte portret dat hij van de boeman De Groot heeft geschetst, is toch voornamelijk gebaseerd op eigen research. Bovendien schrijft Cornelissen aanstekelijk proza: invoelend en humoristisch-afstandelijk tegelijk.

Vrijwel alle nog levende medewerkers van De Groot - inclusief de over het algemeen weinig toeschietelijke voormalige Tweede-Kamerleden Marcus Bakker, Henk Hoekstra en Joop Wolff - stonden hem te woord of schreven hem gedetailleerde brieven. Daarnaast kreeg hij via de familie inzage in De Groots persoonlijke archief en citeert hij veelvuldig uit gesprekken die door de BVD bij De Groot thuis zijn afgeluisterd en opgetekend. Hoewel uit die rapportages blijkt dat De Groot heel goed doorhad dat er afluisterapparatuur in zijn huis geplaatst was, zodat hij voor vertrouwelijke gesprekken meestal de deur uitging, zijn de citaten uit de afgeluisterde gesprekken enigszins genant om te lezen. Wie De Groot ook was en wat hij ook namens Moskou in zijn schild voerde, dat schending van zijn privacy op een dergelijk grove wijze in Nederland mogelijk was, blijft schokkend.

Cornelissens samenvattingen van de huiskamerconversaties van Paul de Groot zijn hilarisch. De Groots commentaar op de verkiezingsnederlaag in 1977, toen de CPN onder andere als gevolg van de door hemzelf bedachte leuze 'Van Agt eruit, de CPN erin' vijf van de zeven Kamerzetels verloor, geeft hij als volgt weer: “Thuis nam het mopperen hevige vormen aan. De nederlaag was hem eigenlijk nog meegevallen. Er waren er toch nooit meer dan twee die het woord voerden. Wat zich als partijleiding beschouwde, verdiende die naam niet, het waren ambtenaren, die naar hun pensioen toeleefden. (...) Het zou De Groot geen moeite kosten, zei hij tegen zijn vrouw, tientallen voorbeelden te geven van mensen die in de partij gehandhaafd werden nadat ze 'openlijk' voor de politie gewerkt hadden. Verder werden in Amsterdam heroïnegebruikers en dat soort onstabiele mensen en andere representanten van het pauperdom via welzijnswerkers in de partij geloodst. (...) Het werd tijd dat De Groot zich nu eens frontaal ging keren tegen de 'verburgerlijke carrièremakers' die zich lieten lijmen met baantjes als wethouder en ondervoorzitter van de Tweede Kamer”.

In 1966 schreef de historicus Ger Harmsen in De Gids het artikel 'Hoe Groot is De Groot?' Wat Igor Cornelissen boeit in de als diamantbewerker begonnen Paul (geboren Saul) is zijn kleinheid. Letterlijk (hij was nog geen 1.70 meter) en figuurlijk: zijn eet- en drinkgewoontes, zijn manier van kleden, zijn dagelijkse doen en laten, zijn humor, achterdochtige valsheid en onverwachte hartelijkheid. De toon van het boek wordt al meteen in de inleiding gezet met een citaat uit Nader tot U waarin de in een communistisch nest geboren Gerard van het Reve De Groot als volgt portretteert: “Ik was bang voor hem. Vaak zagen we hem, met zijn blauwig paarsig en rundervagijn van een mond, in een hoek van de keuken (...) zitten, waarop hem door Sallie grote hoeveelheden voedsel werden geserveerd. De wijze waarop deze man at, had iets onzedelijks - veel beter kan ik het niet onder woorden brengen.'

Cornelissen laat De Groot het hele boek door erg veel en onsmakelijk eten. Als psychologische verklaring voor 's mans vraatzucht noemt hij vooral zijn jeugd in Antwerpen (een half jaar na zijn geboorte in de Amsterdamse jodenbuurt verhuisden zijn ouders naar België), waar hij als enig kind opgroeide en gruwelijk werd verwend. Volgens zijn stiefzoon Huib Zegeling voelde De Groot zich later alleen op zijn gemak als hij at. 'Hij had dan een krant of een boek naast zich, en dan genoot hij zichtbaar en hoorbaar. Hij was gek op gekookte vis en dan zoog hij zo'n hele kop af, de ogen inbegrepen.' Een van zijn grappen was dat hij lid was van het geheime genootschap IVA: Ik Vreet Alles.

Als andere verklaring voor de eetmanie noemt Cornelissen het trauma dat De Groot met zich mee droeg en dat met de jaren pijnlijker werd: het verdriet en het schuldgevoel over de moord in Auschwitz op zijn eerste vrouw Sally Borzykowska en zijn dochter en enig kind Rosa. In 1942 werd het gezin De Groot op een schuiladres in Gorssel overvallen en alleen Paul kon vluchten. Tot de bevrijding werd hij opgejaagd van het ene onderduikadres na het andere, terwijl na de oorlog partijgenoten hem achtervolgden met verwijten over zijn vermeende desertie. De beschuldiging van CPN'ers die hem als partijleider wilden lozen, luidde dat hij zich uit angst om als communist en als jood te worden opgepakt in de oorlog aan de leiding van de illegale CPN en het verzetswerk had onttrokken.

Cornelissen vermoeit de lezer gelukkig niet al te veel met de vraag in hoeverre die aantijgingen op waarheid berustten, zoals hij zich ook niet druk maakt over de vraag of De Groot nu wel of niet de auteur is van het pamflet 'Staakt-staakt-staakt', dat opriep tot de Februaristaking van 1941. Dergelijke brandende kwesties hebben in de CPN jarenlang tot disputen geleid en inmiddels zijn er boeken over volgeschreven. Het verzamelen van belastend materiaal over partijgenoten - al dan niet ergens op stoelend - hoorde er bij in op stalinistische leest geschoeide communistische partijen. Paul de Groot excelleerde in deze methode. Aan de staat der Nederlanden heeft staatsvijand nummer 1 geen schade berokkend, zover reikte zijn macht niet, maar aan zijn partijgenoten des te meer. Tot aan het einde van zijn politieke loopbaan legde hij lijsten aan van partijbestuurders wier ouders, kinderen, schoonfamilie of vrienden mogelijkerwijs 'fout' waren geweest in de oorlog en 'fout' was in beginsel elke communist die niet in het verzet of niet in een kamp had gezeten. Wie er niet in geslaagd was aan de Arbeitseinsatz te ontsnappen en in Duitsland had gewerkt, was in de ogen van De Groot automatisch lid geweest van een nazi-organisatie. Althans, zodra zo iemand hem niet meer naar de mond praatte.

Het knappe van Staatsvijand nr.1 is dat het geen simpele aanklacht is jegens dergelijke praktijken, maar de tragiek ervan laat zien. Vooral de tragiek van de zwaar beschadigde, gewetenloos opererende hoofdpersoon zelf.

Uit de beschrijvingen van Cornelissen komt De Groot naar voren als iemand die verregaand paranoïde was, niet alleen als gevolg van de oorlog, maar waarschijnlijk ook qua persoonlijkheidsstructuur. Zijn bizarre beschuldigingen aan het adres van mede-communisten, bedoeld om hen indien nodig uit te schakelen, waren in de eerste plaats een vorm van zelfverdediging. Tegelijkertijd pasten zijn chantagemethoden wonderwel in de stalinistische traditie, waarin hij eind jaren twintig als jonge communist terecht was gekomen en die hij als geen ander in de CPN kende. Dit leverde hem een voorsprong op ten opzichte van anders CPN-voorlieden die hij naar believen kon koeieneren

De vraag hoe Paul de Groot er verder in slaagde veertig jaar lang de onbetwiste leider van de CPN te blijven, met rede begiftigde mensen de vreemdste standpunten te laten innemen, groepen tegen elkaar uit te spelen, tegenstanders uit te schakelen, wordt door Cornelissen niet diepgaand geanalyseerd. Een politieke biografie van Paul de Groot is dit boek niet - die vindt men eerder in Ger Verrips' vorig jaar verschenen Dwars, duivels en dromend, de geschiedenis van de CPN 1938-1991. Cornelissen heeft zich duidelijk tot taak gesteld de staatsvijand die zichzelf een staatsman vond nu eens gewoon als een, nogal schilderachtige, man te laten zien. Soms gaat hij daarbij over de schreef, bijvoorbeeld wanneer hij zijn held op grond van een niet al te overtuigende bron de liefde laat bedrijven met de vijftig jaar jongere dochter van een vooraanstaande partijgenote.

Mensen die in de jaren zeventig lid werden van de CPN - ik behoor daartoe - hebben De Groot niet of nauwelijks meegemaakt, omdat hij toen al jaren voornamelijk achter de coulissen opereerde. Pas toen deze nieuwbakken communisten - 'de heroïnegebruikers en welzijnswerkers' - erachter kwamen dat het De Groot en niemand anders was die in hun partij aan de touwtjes trok, begonnen zij zich te interesseren voor het legendarische erelid. Door het portret dat Cornelissen van hem schetst, wordt de stalinistische intrigant reëler, maar niet sympathieker, kennelijk is dat met zo'n karakter onmogelijk. Wel krijgt de kleine voorman voor het eerst iets menselijks. En ondanks alles was iemand als Marcus Bakker, zo blijkt uit het boek, ontroerd door de eenzame dood van die 'ouwe'.