Over het ditten en datten

Onvergefelijk. Op 13 september schreef ik op deze Achterpagina over Greshoff, herinnerde mij hoe zijn gedichten mij in mijn puberteit hadden opgebeurd, beweerde dat zijn werk vergeten was, bewees dat: “Ik las in de krant dat een antiquariaat een ongepubliceerd boek van hem in de aanbieding had, een manuscript van aan elkaar geplakte krantenstukken met tussenteksten, onder de titel Ditjes en datjes.”

Op 27 september schreef ik op deze Achterpagina dat een man die ik zelf was mij opbelde en zei: “Je schrijft dat kort geleden een antiquariaat een ongepubliceerd boek van hem aanbood, Ditjes en datjes. Fout, fout, verschrikkelijk fout. Ditten en datten was de werktitel van een boek dat onder de titel Volière is verschenen. Ik heb de briefwisseling van A.A.M. Stols en Greshoff erop nagezocht.”

Op 28 september schreef Fokas Holthuis, antiquaar te Bemmel, mij een lange brief: “Ditten en Datten is wel degelijk ongepubliceerd. De samenstellers van de briefwisseling Greshoff-Stols (een onmisbaar naslagwerk overigens) veronderstelden dat het hier om Volière ging, maar hadden het mis: het onuitgegeven en nooit bestudeerde Ditten en Datten heeft met Volière niets gemeen. Kijkt u mijn beschrijving van nummer 28 in catalogus 7 maar na.”

Hij stuurde de catalogus mee (Winter 1995/1996), en zijn commentaar bij het manuscript (geprijsd ƒ 2.250,-) is zonneklaar. Ditten en Datten (ik kan niet ophouden die idiote titel te noemen) is aan de uitgeverij Stols aangeboden en heeft de drukpers niet bereikt.

Holthuis schrijft in die catalogus: “Ons document illustreert op treffende wijze met welk een (schijnbaar?) gemak de veelschrijver Greshoff een boek samenstelde: soms weet hij stukjes uit (aan de letter te zien) verschillende kranten zó aan elkaar te plakken dat er één coherente tekst ontstaat.”

Over Ditten en Datten kan ik niet oordelen. Zo in het algemeen ben ik het niet met Holthuis eens. Greshoffs plakwerk levert zelden een coherente tekst op. Een voorbeeld. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog reist de piepjonge Greshoff door Duitsland en ontmoet de piepjonge Franz Werfel. Hij schetst een karikatuur, enigszins antisemitisch, en je ziet het kleine dikke dichtertje zwetend zijn pompeuze verzen declameren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaat Greshoff, in Amerika, bij de werelberoemde romancier op bezoek en zij praten zowat, vooral over de jaren van voor de Eerste Wereldoorlog. Hij combineert zijn bevindingen van vroeger, afgezwakt, met algemeenheden van later, en het stuk dat hij presenteert, daar is niets aan.

Het spijt me dat ik hem nooit heb ontmoet, om hem oppervlakkig te interviewen bijvoorbeeld. Op de foto's ziet hij eruit als een man met een keurig gezicht en grote ogen, volgens beschrijvingen 'weemoedige ogen'. In 1965, toen hij zesenzeventig was, noemde hij zich een 'zindelijke en zachtmoedige grijsaard'. In jonger jaren had hij gedicht: “Ik lijk op Harold Lloyd maar in het lelijk dan,/ Want Harold Lloyd is een begeerlijk man/ Hetgeen ik van mezelf niet zeggen kan.” Hij droeg graag zijden sjaaltjes, daarover schreef hij, en hij had een snorretje. Ik zou graag een persoonlijke herinnering aan hem hebben. Zoiets bevordert de acceptatie, de appreciatie. Wanneer ik bijvoorbeeld aan het werk van Gerard Walschap denk zie ik de kleine man voor me, met vriendelijk gezicht en felle ogen. Wanneer ik aan het werk van Marnix Gijsen denk zie ik zijn scherpe, ernstige gezicht, stroef van uitdrukking, tot een brede lach er allerbeminnelijkst overheen trekt. Interessante gesprekken heb ik niet met hen gevoerd.

Greshoff, geboren op 15 december 1888, begon als estheet, dichtte vage verzen, is estheet gebleven. Eind van de jaren twintig, in de jaren dertig léék hij anti-estheet en koos voor 'de man die barst-an-bonkies zegt'. Hij werd gewaardeerd door jongere vrienden, E. du Perron, Menno ter Braak, en bereikte met zijn baldadige verzen een groot publiek. Hij ging tekeer tegen de burgerij, de klabakken, de notarissen, 'tot vrijheid onherroepelijk besloten/ Want zonder die is alles kattendrek'. Hij verhuisde in 1939 met vrouw en kinderen naar Zuid-Afrika. Wat hij verder ook deed, en hij deed veel, zijn tijd was voorbij.

In april 1965 voltooide hij een autobiografie die vooral uit aan elkaar geplakte stukjes bestond. De titel had moeten zijn Leven tegen het Leven. De uitgever maakte er Afscheid van Europa van. Het boek eindigt zwartgallig. Greshoff schrijft: “Het leven, dat ik eens het goede leven noemde, heeft mij geleerd het leven steeds minder op prijs te stellen omdat ik steeds dieper doordrongen word van de ongerijmdheid van elke vorm van zijn, ook de aangenaamste.” Even verder: “Het barre leven, hoe onredelijk ook, zou tenslotte met enig zelfbedrog wel leefbaar zijn. Maar de mens, de mensen, alle mensen, miljarden, maken door hun ingeschapen slechtheid een rustig, eerlijk, opgewekt leven volstrekt onmogelijk. (-) Dit betekent de slotsom van een lange ervaring. Deze ervaring bracht mij van een jeugd waarin ik mondjesmaat gelukkig was en nog in het geluk geloofde tot een ouderdom na een gelukkig leven, waarin ik mij niet bevrijden kon van de nijpende overtuiging welke mij niet meer verlaat, dat alles, letterlijk alles, ook het geluk begoocheling was en is.”

Hij moet ziek zijn geweest van ouderdomsdepressie toen hij deze tragisch-warrige tekst schreef. Ik wou dat ik een persoonlijke herinnering aan hem had. Ik zou hem anders lezen. Beter? Wat voor hem geldt geldt niet voor zijn lezers. Hij dichtte: “Ik kan de heer J. Greshoff niet ontlopen,/ Ik ben aan hem gekluisterd tot mijn dood.”