Over de visioenen van Hadewych, Blake en andere mystici; Het graf als gouden poort

Hadewych, de dertiende eeuwse Brabantse mystica, dichteres en prozaschrijfster schreef omstreeks 1240 een aantal visoenen. Zij was daarmee de eerste vertegenwoordigster van dit genre in een Europese volkstaal. In apocalyptische beelden gaf zij uiting aan haar ontwikkeling van hartstochtelijke minnares tot Gods volmaakte Bruid. Imme Dros maakte een nieuwe vertaling van dit werk van Hadewych, de eerste sinds 1980, waarin ze de oorspronkelik tekst in zo actueel mogelijk Nederlans weergeeft. De schrijver Thomése krijgt van 'het begijntje Hadewych' zo zijn eigen visioenen.

Hadewych: Visioenen. Vertaling Imme Dros. Inleiding en editering Frank Willaert. Prometheus/Bert Bakker. 272 blz. ƒ 45,- (gebonden) ƒ 29,90 (ingenaaid)

Gevangen in de dagen die zich voordoen als geblindeerde kamertjes waarvan alleen de nummers veranderen, kan ik hevig verlangen naar ontsnapping. Dan sta ik, zoals de oude wijven doen, met mijn oor tegen een omgekeerd glas aan het behang te luisteren om iets op te vangen van de andere kant. Nooit iets bijzonders gehoord, altijd hetzelfde liedje: vrouw scheldt man uit, man slaat vrouw en ten slotte het verzoenende gekraak der oude bedspiralen. Hoezeer ik ook smacht naar een andere werkelijkheid, het blijft op de een of andere manier steeds hetzelfde. O armzaligheid van de verbeelding, die slechts voor het geestesoog vertoont wat ook in het grauwe daglicht gezien kan worden.

Waar zijn de engelen van mijn jongste dagen gebleven, de ridders die draken verslaan, waar zijn de fabeldieren heengegaan? Bij wie moet ik mij nu beklagen? Wie heeft de ladder die tot de hemel reikte, weggehaald?

Het nooit geziene, het ongehoorde - ooit een vertrouwde werkelijkheid, plotsklaps onecht geworden. Eerst zien, dan geloven. Maar ik zie niks, hoe kan ik dan geloven? De 'deuren van de waarneming' (Blake) openen immers geen betoverende vergezichten, ze dienen juist om af te sluiten. Ze sluiten het wonder buiten. De werkelijkheid materialiseert zich tot muren waar niet meer uit te breken valt. En buiten, onder de oneindige hemel, waait de tover weg op de wind van de herinnering.

Alleen soms, op een doordeweekse avond in de bioscoop, of lezend in bezielde boeken, kan nog wel eens een glimp worden opgevangen van wat verloren was gewaand. Even lijkt de wereld dan een verregend decor van bordkarton, waarachter... maar zodra je het onder woorden tracht te brengen, wijkt het terug en vallen de deuren van de werkelijkheid een voor een weer in het slot.

Wat blijft, is het heimwee. Opgesloten in de te krappe huurkamertjes van het heden, kan een volwassen man af en toe overvallen worden door een gemis waar hij geen woorden voor heeft.

Zijn werkelijkheid is definitief gescheiden in feit en fantasie. Los zijn ze hem weinig waard: de feiten te grof, te hard, de fantasieën te vluchtig, te vaag. Want als fantasieën niet verzwaard worden met het gewicht der feiten, zweven ze weg, de machteloze dromer achterlatend tussen de loze feiten die hem opeens zo dof en doods toeschijnen dat alles reeds gestorven lijkt. Alleen wanneer feit en fantasie onlosmakelijk met elkaar verenigd zijn, krijgt de betovering een kans. Alleen dan, wanneer de fantasie feit geworden is, komen de engelen op bed zitten, zoals William Blake tot op hoge leeftijd overkwam, en is het graf geen vochtig gat maar een Gouden Poort naar Dromenland. En Blake kon het weten, want hij was er al vaak genoeg geweest.

Kattenluikje

De mystieke literatuur is vol van zulke epifanieën en revelaties. Hoewel zelf veroordeeld tot het doffe weten van de sceptici, heb ik altijd grote belangstelling gehad voor het kleurrijke leven der mystici, voor wie het graf een kattenluikje is waar ze naar believen door naar binnen en naar buiten kunnen glippen. Buiten de tijd. Buiten de wereld. Het moet het bestaan heel wat draaglijker maken, wanneer je weet hebt van een nooduitgang. Even eruit als dit leven, het enige leven, je verstikt. Even de boel de boel laten en een frisse neus halen in de oneindigheid.

Het is de rechtgeaarde mysticus dan ook een raadsel waarom de meeste mensen hardnekkig blijven kniezen in hun bedompte en benauwde kamertjes.

'Mock on, mock on, Voltaire, Rousseau', dichtte Blake polemisch. Spot er maar mee. 'Mock on, mock on, 'tis all in vain!' Het helpt jullie geen zier. 'Jullie gooien zand in de wind, maar de wind blaast 't terug in je eigen gezicht.' En verderop in het gedicht veranderen de zandkorrels in schitterende, goddelijk licht weerkaatsende edelstenen die haha, net goed! - het spottersoog der Verlichtingsdenkers verblinden, maar eeuwig stralen op het pad dat leidt naar het Beloofde Land.

De eeuwigheid ligt voor iedereen klaar, lijkt Blake te willen zeggen, je moet je alleen geen zand in de ogen laten strooien door rationalisten, materialisten en andere verkondigers van kale feiten.

Maar Blake is een geval apart. Zelfs in het wonderlijke gezelschap der mystici valt hij op door een wel héél druk grensverkeer tussen hier en gene zijde. 'Ik sta dag en nacht onder invloed van hemelse boodschappers', schreef hij in een brief. En vrienden van hem verbaasden zich erover hoe terloops hij zijn visioenen aankondigde. 'Here it comes', zei hij dan midden in een gesprek. 'Yes, there it is', alsof er een hondje kwispelstaartend aan kwam lopen. En dan pakte hij zijn schetsboek om bij voorbeeld de geest van een vlo te tekenen, zoals die aan hem verschenen was. Als de verschijning te kort duurde, wachtte hij even. 'O, there it is again', en maakte zijn schets rustig af.

Voor de meeste mystici is het visioen een heel wat ingrijpender ervaring. Ons nationale begijntje Hadewych was altijd hevig in verwarring van de vervoering die zij had beleefd. De veertien visioenen die zij beschreef, eindigen herhaaldelijk met een domper. 'Toen kwam ik in mezelf, vervuld van een nieuw, bitter verdriet dat voor altijd zal blijven tot de dag dat ik weer terechtkom waar ik toen van terugkeerde', heet het de ene keer. 'En ik kwam terug jammerlijk klagend over mijn ellende', bij een andere gelegenheid.

Reli-porno

Hadewych, vervuld van minne, verwacht zo veel van haar visioenen, dat het alleen maar kan tegenvallen. Als 'een inghel van den trone' haar meevoert naar de hemel, is zij soms zo overrompeld dat ze niet goed oplet. In het zesde visioen bijvoorbeeld wordt haar 'een hoge, ontzagwekkende plaats getoond, en op die machtige plaats stond een zetel'. Nu komt het, denk je. Maar helaas: 'Die daarop zat, was niet te zien.'

Af en toe krijgt ze de heer der hemelen wèl te zien, de zoon des huizes wel te verstaan, want naar hem gaat haar minne uit. 'En zijn gezicht openbaarde zich zo helder dat ik daarin alle beelden en vormen onderscheidde van wie er ooit waren en er ooit zullen zijn.' Een rare kop dus. Hadewych is er niet vies van, want, schrijft ze, 'minne kwam en nam me in zich op. En ik raakte buiten de geest en bleef liggen tot laat op de dag verdronken in onuitsprekelijke wonderen'.

Het lijkt warempel reli-porno, zeker als je merkt dat ze haar hartstochtelijste minnevisioen krijgt tijdens een mis waar nota bene het Hooglied wordt voorgelezen. Maar hoewel de verleiding groot is, moet in de visioenen van Hadewych niet naar tastbaarheden worden gezocht. Haar beelden zijn, geheel naar middeleeuwse trant, zinnebeelden. Ze ziet geen uiterlijke, maar een innerlijke wereld: het woord wordt vlees, maar het vlees wordt op zijn beurt weer woord.

Dat is het nadeel van haar visioenen: ze komen, ondanks haar vurige verstrengelingen met de heiland, zo cerebraal over. Ze staan in een lange traditie van goddelijke openbaringen, en er is weinig of niets wat Hadewych ziet wat niet reeds is opgeschreven in de Bijbel of in andere kerkelijke geschriften. Alles wat ze tegenkomt, is teken en symbool, zodat haar visioenen meer op leerstukken lijken dan op strikt persoonlijke mystieke ervaringen.

Dante

Hadewychs visioenen behoren daarmee tot de middeleeuwse traditie waartoe ook de Divina Comedia van Dante gerekend kan worden. De hemel is daarin geen persoonlijke fantasie, maar een strikt vastgesteld concept, gebaseerd op de Openbaringen van de evangelist Johannes en vooral op de Hemelse hierarchieen van pseudeo-Dionysius de Areopagiet, hèt voorbeeldboek van alle christelijke visioenen, zeker sinds Thomas van Aquino zich erop ging beroepen.

Het verschil tussen Hadewychs visioenen en Dantes gedicht is dat zij dacht dat haar beelden haar door God werden ingefluisterd en hij wist dat hij het allemaal zelf had opgeschreven.

'Waar gebeurd is geen excuus', zegt de katholieke schrijver Gerard Reve. En inderdaad, ik geef de hele Hadewych voor één klein verzinseltje van de Florentijn. De dertigste canto uit Purgatorio, als het er echt maar één mag zijn, de passage waarin Dante tot zijn schrik en tot zijn vreugde zijn vroegere geliefde Beatrice hervindt. Helemaal in de war, wil hij zijn trouwe leidsman Vergilius ervan deelgenoot maken hoe de oude, nooit gedoofde vlam oplaait in zijn borst en het stroef geworden bloed weer laat koken als dat van een verliefde jongen. Maar de oude epicus, die hem zo lang had gediend, blijkt stilletjes te zijn verdwenen. Dante is nu helemaal alleen - oog in oog met wat hij voor altijd verloren had gedacht.

Te mooi, te veel is het haast. Een koningin is ze hem, zo fier van houding verrijst ze voor zijn verbijsterd oog. Maar wat!? Ze lijkt niets van hem te willen weten, snauwt hem hooghartig af. Haar gedrag is zo kil en verwijtend dat de aanwezige engelen verschrikt een lied aanheffen om de arme dichter op te beuren. Na een tijdje durft er één van hen zich tot Beatrice te wenden: 'Ach vrouwe toch, waarom hem z'o vernederd?' Pas toen Dante deze harde waarheid hoorde, brak er iets bij hem. Tijdens het engelenlied had hij zich nog goed gehouden, maar nu 'versmolt het ijs, dat 't hart mij hield ompantserd, tot zucht en traan en zocht zich uit mijn boezem vol angst een uitweg door mijn mond en ogen'.

Maar al kunnen visioenen verzinsels lijken, verzinsels zijn nog geen visioenen. Sartre zegt in Wat is literatuur dat het ongeluk van elke schrijver is dat hij zijn eigen boeken niet kan lezen, laat staan ze te geloven. Het zijn de lezers die het moeten geloven. Bij een visioen is het eerder omgekeerd. Niemand, of bijna niemand, gelooft degene die beweert in de hemel te zijn geweest. Dat is ook niet belangrijk. Als hij het zelf maar gelooft.

In die zin is de mystiek verwant aan bepaalde vormen van geestelijke gestoordheid. Zo bestaat er is een theorie die ervan uitgaat dat Saulus op weg naar Damascus een epileptische aanval kreeg. Inderdaad, zo stelt William James (de broer van schrijver Henry) in The varieties of religious experience, lijden de meeste mystici aan overgevoeligheid van het zenuwgestel, maar het gaat hem te ver om ze als een stelletje gestoorden af te schilderen. Al maakt hij voor één geval een uitzondering. George Fox, de zeventiende eeuwse aartsvader van de Quakers, moet volgens William James beschouwd worden als 'een psychopaat of op zijn minst een warhoofd van het ergste soort'. Nochtans beschrijven tijdgenoten hem als een intelligente en geleerde persoonlijkheid.

Maar die hadden zijn dagboeken niet gelezen.

Een voorbeeld. Toen Fox op een winterse avond van God hoorde dat hij, ondanks de vorst en het dikke pak sneeuw dat er lag, zijn schoenen moest uittrekken en die moest afgeven aan een stelletje herders dat rond een kampvuur lag te lummelen, deed hij dat zonder morren. 'En nu naar de stad Lichfield!' beval de Heere Heere. En verbaasd nagestaard door de herders, ging Fox op zijn blote voeten door de sneeuw op weg naar die plaats die hij niet kende en waarvan hij niet wist wat hij er te zoeken had. Het was een eind lopen, en toen hij de volgende aankwam op het drukke marktplein, sprak God hem ten tweede male toe. De Heere Heere wilde dat Fox midden op de markt ging staan en 'Wo to the bloody city of Lichfield!' ging schreeuwen tegen de aanwezige boeren, burgers en buitenlui. Fox slikte even en gaf gehoor aan de opdracht, verwachtend zich met zijn gescheld een flink pak rammel op de hals te halen. 'Een wonder,' dacht Fox, want hij werd niet in elkaar geslagen. Hij vloekte en tierde nog een tijdje voort, totdat God zei dat het genoeg was. Fox liep op zijn blote voeten terug om bij de herders zijn schoenen op te halen.

Dat was dat, dacht Fox. Een rare opdracht, maar wie was hij om de Heere Heere tegen te spreken.

Pas tijden later begreep hij waarom hij op blote voeten de sneeuw in was gestuurd om ver weg tegen mensen die hij niet kende 'Wo to the bloody city of Lichfield!' te schreeuwen. Het bleek dat in de Romeinse tijd, onder de regering van keizer Diocletianus, duizend christelijke martelaren in Lichfield waren doodgefolterd. 'Dus moest ik, zonder schoenen, door hun bloed waden tot aan de bloedige poel van het marktplein, om een gedenkteken te zijn voor het bloed van al die martelaren, dat meer dan duizend jaar geleden was gevloeid en dat nu koud in de straten lag.'

Sneeuw die bloed wordt, de Heere Heere die niet op duizend jaar kijkt en op een winterse dag een niets vermoedende man op blote voeten door de kou stuurt om hem te laten schelden en tieren tegen een bevolking die van niets weet - de vanzelfsprekendheid van deze krankzinnige verklaring, het mystieke in zijn mooiste vorm.

Orakelen

Bij een geval als dat van Fox gaat het om een waarheid die zich buiten de denker om openbaart. Hij doet iets wat hij zelf niet begrijpt. Hij gelooft wat hij zegt, want hij weet niet wat hij zegt. Het is het oude idee van het orakel: de waarheid moet in wartaal worden verwoord, want zij is in wezen onuitsprekelijk.

Op deze gedachte baseerde Wittgenstein de paragrafen van de Tractatus logico-philosophicus waarin hij verklaart dat 'de zin van de wereld buiten haarzelf moet liggen'. Ethische en teleologische uitspraken hebben daarom geen geldigheid, aangezien ze binnen de wereld worden gedaan. Hij zegt daarmee niet dat er geen zin van het bestaan is, hij zegt alleen dat zulks tot het onzegbare behoort. 'Dies zeigt sich, es ist das Mystische.'

De waarheid die zich in alle onbegrijpelijkheid openbaart: nu weet ik waarom ik ongeschikt ben om te ontsnappen uit het gehorige huurkamertje dat ik gedwongen ben 'mijn werkelijkheid' te noemen. Als ik mijn oor tegen de dunne wand te luisteren leg, hoor ik wartaal genoeg. Ik vrees dat ik de waarheid allang moet hebben gehoord - alleen heb ik haar waarschijnlijk niet kunnen verstaan. Geen wonder dat de engelen niet meer op mijn bed komen zitten.