Oude getrouwen

In het Amerikaanse tijdschrift The New Yorker stond deze zomer een artikel van balletcritica Arlene Croce onder de simpele maar intrigerende kop: “Onze dansers in de jaren negentig; het probleem van het ballet is niet het gebrek aan talent”.

Het is een alarmerend stuk, maar het stelt ook gerust. Er blijkt uit dat niet alleen de Nederlandse dansgezelschappen kampen met problemen, er heerst wereldwijd een artistieke crisis. Croce wijst, zich cosmopolitisch bepalend tot gezelschappen als The New York City Ballet, het Britse Royal Ballet, het Bolshoi en het Kirov Ballet, op een ontwikkeling die opmerkelijk veel overeenkomsten vertoont met die van de dansgezelschappen in ons land. Ze schrijft dat de genoemde gezelschappen voorheen 'forten van stijl' waren, die met gemak veranderingen absorbeerden, met elkaar vochten om de plaats aan de wereldtop en tegelijkertijd een 'gezond lokaal accent' behielden, dat zelfs het publiek dat niet naar hun optredens ging kijken met trots vervulde.

Alleen in naam bestaan de gezelschappen van weleer nog, volgens Croce. Overal ziet ze zwakke artistiek leiders, verlies van identiteit en van technisch vermogen en een programmering waarmee men halfhartig poogt de klassieke traditie voor uitsterven te behoeden. De gezelschappen zijn wat haar betreft 'in zaken' gegaan, maar de oogst bestaat uit weinig anders dan de toenemende onverschilligheid van het publiek en steeds hogere toegangsprijzen. Over de West Side Story-suite die het New York City Ballet uitbracht, zegt ze dat het van meer betekenis is dat het werk überhaupt werd uitgevoerd dan dat het goed werd uitgevoerd.

Hoewel Nederlandse dansgezelschappen door ons subsidiesysteem aan de door Croce beschreven ontwikkeling zouden moeten kunnen ontsnappen, leert éen blik in het seizoensoverzicht dat het met Het Nationale Ballet niet veel anders gaat. Consolidatie en het teruggrijpen naar oude getrouwen bepaalden vorig jaar en het jaar daarvoor al de toon, het nieuwe seizoen maakt er een traditie van. Afgezien van de wereldpremières van werk van betrekkelijk onbelangrijke choreografen als Christopher d'Amboise en Susan Pond en een nieuw ballet van Hans van Manen, moeten de klassieke sprookjesballetten Het Zwanenmeer en The Sleeping Beauty (oude produkties) en de evergreen De Notenkraker (een nieuwe produktie) de teruggang van de publiekscijfers gaan keren.

Maar de opwinding blijft ontbreken. Dat wil niet zeggen dat men zich nu blindelings op het onbekende en de vernieuwing zou moeten storten: nieuwe meesters dienen zich nu eenmaal nog niet aan. Waar Het Nationale Ballet het wel in zou kunnen zoeken is consolidatie van een andere soort. Kent het gemiddelde publiek al was het maar éen danser bij naam? Ik durf te zweren van niet. Als klassiek geörienteerd gezelschap heeft Het Nationale Ballet een rangorde, laat dan dan ook duidelijk zijn. Het zou er goed aan doen sterren te kweken en ze te koesteren, wat inhoudt dat ze niet in twee seizoenen opbranden.

Talent moet de gelegenheid krijgen om te groeien in rollen, het moet niet alleen passen uitvoeren. Daarom zouden van oude en nieuwere werken die succesvol gebleken zijn, veel meer voorstellingen gegeven moeten worden. Say it again louder van John Wisman en Four sections (1991) van Ted Brandsen waren maximaal tien keer te zien, Hans van Manens ten koste van veel moeite opnieuw ingestudeerde Four Schumann Pieces zelfs slechts vier of vijf keer. Waarom? Om technische redenen en roosterproblemen, ongetwijfeld. Maar ieder praktisch argument moet ondergeschikt zijn aan de danser, wie een werk in het lijf moet gaan zitten om een interpretatie te kunnen geven.

Pas op de plaats maken is niet rampzalig. Zolang het maar goed gebeurt.