Oostenrijk bevreesd voor 'killer-kapitalisme'

Oostenrijk is deze zomer met verontrustende ontwikkelingen geconfronteerd. In snel tempo werden Oostenrijkse bedrijven door buitenlandse ondernemingen opgekocht: de supermarkt-keten Billa door het Duitse REWE, de Oostenrijkse tak van Thonet door de Duitse investeerder Mellinghoff. Het biederconsortium dat de Creditanstalt wilde kopen bestond hoofdzakelijk uit Italiaanse en Duitse banken respectievelijk verzekeringen.

Soms werden op één dag verscheidene overnames gemeld. Toen de Duitse bandenproducent Continental AG uit Hannover een gedeeltelijke sluiting van buitenlandse vestigingen, met name van Semperit in Traiskirchen (Niederösterreich) aankondigde, sloegen de emoties op hol: “Oostenrijk wordt uitverkocht”, luidde de noodkreet in de kranten en op tv. “Komt het killer-kapitalisme?” vroeg het weekblad profil zich af. Dat de meeste kopers Duitsers waren maakte de zaak er niet beter op. Afgezien van de politieke ressentimenten die tussen Duitsland en Oostenrijk een rol spelen, zorgt de economische afhankelijkheid van de machtige buur in Oostenrijk regelmatig voor opwinding. Curieus genoeg wakkerden de kranten - zelf voor de helft in Duitse handen - de anti-Duitse stemming verder aan. Maar die fase duurde uiteindelijk slechts kort. De bladen veranderden van toon en presenteerden de overname van Oostenrijkse bedrijven nu als een succes: het buitenland investeert in Oostenrijk, er komt dus geld binnen! Der Standard schreef “Oostenrijk wordt als Wirtschaftsstandort steeds attractiever. Dit jaar stroomden al meer dan 30 miljard schilling naar ons land.”

Profil berichtte over Oostenrijkers die buitenlandse bedrijven opkochten en eveneens keiharde maatregelen niet schuwden. Zo waren de Zweden woest op de Oostenrijkers toen het staalbedrijf Böhler Zweedse vestigingen sloot en daardoor het plaatselijke werkloosheidspercentage naar 25 procent steeg. De Zweden bestookten de eigen regering en Austrian Industries met briefkaarten, reisbureaus weigerden reizen naar Oostenrijk te verkopen en voor de Oostenrijkse ambassade werd gedemonstreerd. Het mocht allemaal niet baten. Met dergelijke berichten moet het Oostenrijkse relativeringsvermogen worden hersteld.

Dat lukt maar gedeeltelijk. Vooral de zaak-Semperit is een uitstekend voorbeeld van wat hier de “globaliseringsval” wordt genoemd. Tien jaar geleden verkocht de Creditanstalt het noodlijdende bedrijf Semperit aan Continental. De regering betaalde 1,2 miljard schilling aan het Duitse bedrijf en kreeg daarvoor een Standort-garantie voor 10 jaar. Ook verder zorgde de regering voor Semperit. Japanse autoproducenten werden lage douanetarieven aangeboden, in ruil daarvoor kochten zij hun banden bij Semperit. Sinds Oostenrijk lid van de Europese Unie is, zijn douane-voordelen niet meer toegestaan. De Japanners kopen nu hun banden elders.

Hubertus von Grünberg, voorzitter van de raad van bestuur van Continental, is dit jaar aan een rigoureuze herstructurering van het bedrijf begonnen. Zijn agenda is kort: Shareholder-value, meer staat er niet op. Dat betekent verplaatsing van een deel van de produktie naar lage-lonenlanden, vooreerst naar Tsjechië, maar de Oekraïne en Kazachstan worden eveneens genoemd. Van de 2.300 Semperit-medewerkers zouden 1.200 worden ontslagen. De vakbond kwam in actie. Om te voorkomen dat alvast machines naar Tsjechië getransporteerd zouden kunnen worden, bewaakten de arbeiders het bedrijfsterrein.

De regering werd dringend om hulp gevraagd. Kanselier Vranitzky en de ministers van Financien, Klima, en Economie, Farnleitner, zochten het gesprek met de leiding van Continental. Daarnaast heeft de regering op verschillende manieren geprobeerd Semperit te helpen. Men probeerde banden aan Italië te verkopen en ook de vroegere Japanse afnemers werden benaderd. Voorstellen om de Japanners onder druk te zetten doken op: een speciaal geconstrueerde wegenbelasting zou Japanse auto's duurder kunnen maken. Van al deze plannen kwam uiteindelijk niets terecht en de bedrijfsleiding van Continental was niet bereid haar plannen te wijzigen.

De voorzitter van de ondernemingsraad, Neubauer, heeft de situatie van begin af aan verkeerd ingeschat. Hij kon niet geloven dat Continental zijn plannen hoe dan ook zou doorzetten. Hij vond het onrechtvaardig en asociaal en verwachtte van regering en vakbond hulp die zij niet konden geven. Hij is niet de enige die niet begrijpt wat om hem heen gebeurt. De Oostenrijkers reageerden net zoals de Zweden met hun briefkaarten en de Nederlanders met de actie Houd Fokker in de lucht. Het idee dat de macht van de regering niet groot genoeg is om buitenlandse bedrijven tot sociale verantwoordelijkheid te dwingen is voor velen maar moeilijk te verteren. De door het Duitse weekblad Die Zeit tot de beste Duitstalige anchorman uitgeroepen ORF-redacteur Hogner vroeg aan het bestuur van Continental of het bij een bezoek aan Wenen van de regering groen licht voor de ontslagen had gekregen. Ook hij had dus niet begrepen dat Continental er niet over peinst de Oostenrijkse regering om toestemming voor wat dan ook te vragen.

De sensatiebeluste berichten in de media hebben de zaak geen goed gedaan. Neubauer werd daardoor te zeer op zijn strijdvaardige houding vastgelegd. Toen de reële verhoudingen tot hem doordrongen, kon hij niet meer terug zonder zijn gezicht te verliezen en in zekere zin gold dat ook voor de regering. Neubauers uitgangspunt was: wij laten onze machines niet weghalen, wij laten ons het werk niet afpakken. Wij zullen vechten en winnen! Afgezien van de foute inschatting, verkeek Neubauer zich ook op de eigendomsverhoudingen. De machines zijn eigendom van Continental en als de arbeiders, zoals Neubauer voorstelde, zich aan de machines vastketenen, zal de eigenaar gewoon de politie inschakelen.

De ORF probeerde stemming te maken met een tv-reportage over de voorbereidingen van de politie. Zo zouden agenten in vermomming aan de vergaderingen hebben deelgenomen en de politie zou mensen van buiten het district aangevraagd hebben voor het geval de plaatselijke agenten weigeren tegen de arbeiders in actie te komen. Een algehele staking was een ander veelbesproken onderwerp. Nu komen voortdurend deskundigen op het tv-journaal aan het woord die elkaar inmiddels ook bestrijden. De een vindt dat de arbeiders met een staking ook de in het vooruitzicht gestelde afvloeiingsregeling zullen verliezen, de ander vindt dat er ruimte is voor een gunstiger interpretatie.

De afvloeiingsregeling heeft tot fricties tussen arbeiders en administratief personeel geleid omdat Continental onmiddellijk na de eerste stakingsdreiging liet weten in dat geval de hele vestiging te zullen sluiten. Neubauer wees er toen op dat een gehalveerd bedrijf toch een doodlopende zaak zou zijn en deze mening wordt ook door het Oostenrijkse management van Continental gedeeld. Toch maakt het voor de niet direct bedreigde medewerkers wel uit of ze nog voor twee jaar werk hebben of niet. Tot nu toe kon een breuk tussen arbeiders en witte-boordenwerknemers worden voorkomen omdat nog geen besluit over harde acties is gevallen. De vakbond van de laatsten heeft verklaard dat men solidair met de arbeiders wil zijn mits het voortbestaan niet op het spel gezet wordt. Continental heeft intussen aangekondigd dat op 14 oktober de machines naar Tsjechië getransporteerd worden. Op het ogenblik ziet het er zo uit dat ondernemingsraad en vakbond uiteindelijk de bittere pil zullen slikken.

Ook de regering zal een andere omgang met het probleem moeten vinden. Nu het niet meer mogelijk is bedrijven met financiële steun tot afspraken te bewegen, is er ook geen gelegenheid meer invloed uit te oefenen. De hoog oplopende emoties en de anti-buitenlandhouding zijn om verschillende redenen gevaarlijk. Ze irriteren de buitenlandse investeerders, met name de Duitsers. Het bestuur van de VAW Aluminium AG uit Bonn, dat in overname van de Oostenrijkse AMAG is geïnteresseerd, verklaarde geschokt te zijn door de vijandige houding van de werknemersvertegenwoordigers. SPD-politicus Oskar Lafontaine riep zijn Oostenrijkse collegae vanuit Bonn op de ontwikkelingen op een zakelijker manier aan te pakken. “Ik begrijp de emoties wel zei hij, “maar in politiek en economisch opzicht zijn ze problematisch”. Dat bleek meteen op de eerste parlementaire zitting na het zomerreces.

Vranitzky hield een rede waarin hij verklaarde niet te zullen toelaten dat Oostenrijkse werknemers het afleggen tegen arbeidskrachten uit de lage-lonenlanden. Hij had het tijdstip voor dergelijke beloftes niet ongelukkiger kunnen kiezen. In de loop van de dag was bekend geworden dat de Zweeds-Duitse eigenaren van de papierfabriek Hallein volgend jaar 130 medewerkers zullen ontslaan. Met de vakbonden was afgesproken dat de werknemers een jaar lang vier uur per week gratis zouden werken - 42 in plaats van 38 uur - en in ruil daarvoor had het bedrijf een arbeidsplaatsgarantie tot 1997 verstrekt. Nu was uitgelekt dat onmiddellijk na afloop van de garantie de eerste ontslagen zouden vallen.

De arbeiders reageerden furieus en het management vastberaden: men kon kiezen tussen onmiddellijk ontslag of uitstel van executie. Toen Vranitzky zijn rede had beëindigd stond Haider op en verweet hem holle frases. Hij wees op het lot van de arbeiders in Hallein die door de sociaal-democratische kanselier in de steek waren gelaten. De fouten van de regering geven hem de gelegenheid daarop te hameren en het verder bij suggesties te laten dat hij het allemaal veel beter zou doen. Haider voert een verbeten strijd om het arbeiderselectoraat. Zolang de sociaal-democraten de illusie in stand houden dat zij bedrijven tot sociale verantwoordelijkheid kunnen dwingen, moeten ze wel falen en kan Haider makkelijk scoren.