Nadruk ligt op curieuze details in Don Carlos

Voorstelling: Don Carlos door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Antonio Pappano. Decor: Gilles Aillaud; kostuums: Moidele Bickel; regie: Luc Bondy. Gezien: 6/10 Muntschouwburg Brussel. Herhalingen t/m 25/10.

De internationale coproduktie van Verdi's Don Carlos in de regie van Luc Bondy heeft nu Brussel bereikt na voorstellingen in Parijs (door EMI op de plaat gezet) en Londen (met Haitink in Covent Garden). Later gaat deze Franse versie van Don Carlos nog naar Nice en Lyon.

De dirigenten wisselen, al leidt Antonio Pappano de voorstelling nu al voor de tweede keer. De vocale bezettingen variëren eveneens: na Roberto Alagna (in Parijs en Londen) zingt nu in Brussel de Amerikaanse tenor Vinson Cole de titelrol, naast de Belgische bariton José van Dam (Filips) en de sopranen Nelly Miricioiu (Elisabeth) en Martine Dupuy (Eboli).

Regisseur Luc Bondy is onder andere befaamd om zijn samenwerking met Karl-Ernst Herrmann in de Brusselse produktie van Mozarts Così fan tutte (1984). Ondanks hoge verwachtingen is zijn internationale Don Carlos niet de wereldvoorstelling, die zou kunnen worden gezien als de opvolger van de befaamde Don Carlo (Italiaanse versie) van dirigent Carlo Maria Giulini en ontwerper Luchino Visconti, waarmee het Londense Covent Garden in 1958 het eeuwfeest vierde.

De voorstelling is, afgezien van de vocale prestaties, als geheel te weinig bijzonder en scherp, te nondescript en conventioneel om blijvende indruk te maken. De Don Carlos van regisseur Hans Croiset, die de Nationale Reisopera nu bij ons brengt, zal mij langer heugen, met die treffende beelden van het oorlogsleed der Fransen, met het ontbreken van ook maar sprankje licht, met de indringend vertoonde demonie van de Inquisitie, met de angstwekkende portrettering van de genadeloze Filips als de koning van het rijk van de dood.

Wat me vooral van Bondy zal bijblijven is die kabbelende, bijna nietszeggende voortgang van de handeling, de timide uitbeelding van Filips door Van Dam, de terloopse behandeling van de ketterverbranding als 'couleur locale' en vooral die merkwaardige uitmonstering van de koninklijke slaapkamer: lampen in jute zakken, slingers van touwen met gekleurde glazen bollen en twee veldbedden. En dat in het Escorial, het centrum van de wereldmacht Spanje!

Croiset richt zich direct op drama en duiding, Bondy concentreert zich, ondanks curieuze details, op esthetiek. Hij laat het sfeervol sneeuwen in Frankrijk èn in Spanje, boven de brandstapel doet hij de hemel nog confetti uitstrooien. De Zwitsers-Franse Bondy laat zich hier kennen als een RK-vriendelijke zuiderling. Hij laat de edelen die pleiten voor de opstandige lage landen zich voor Filips door het stof bewegen. De muzikale en vocale prestaties moeten het doen, al wijken zij bij de zangers nogal af van de gebruikelijke typeringen. Dirigent Pappano komt, na de Frans-vloeiende eerste actes, tot steeds grootsere Verdiaanse dimensies. Vinson Cole zingt een goede, maar wat eenvormig klinkende titelrol, Paolo Coni ontbeert wat présence als Posa, Van Dam zingt iets interessanter dan hij acteert, Oddbj⊘rn Tennfjord is een barse Grootinquisiteur.

De twee sopranen vallen op: Martine Dupuy is een irritant bemoeizuchtige Eboli, wier stem een aria als O don fatal niet meer echt aankan, maar daarmee juist een deerniswekkende indruk maakt. Nelly Miricioiu is evenmin een vanzelfsprekende bezetting voor Elisabeth - haar voor het vroeg 19de-eeuws belcanto ideale stem is daarvoor te klein. Maar door zich niet te forceren, zichzelf te blijven en haar rol consciëntieus op te bouwen komt ze tot een bijzondere vertolking, hoogstpersoonlijk en roerend.