Naar Antwerpen

Vanuit de glazen lift kijk je dwars door het station. Er lopen heel veel mensen. Ze slepen koffers, tassen en kleine kinderen. De intercity naar Brussel komt pas over een half uur, maar wij moeten ons nu al melden. Plotseling bedenken dat je met de trein wilt, dat kan niet als je in een rolstoel zit.

Je moet minstens 24 uur vantevoren waarschuwen. Dan zorgt het station voor een bruggetje waarover je de trein kunt binnen rijden. Tenminste, dat hoop je. De laatste keer dat ik vanuit Den Haag met de trein vertrok, zat ik toen mijn toneelstuk in de Rotterdamse schouwburg begon, op het perron van Dordrecht. Op het Centraal Station van Rotterdam stond niemand om me eruit te halen. En de machinist had haast. Op dat moment besloot ik dat ik nooit meer met de trein zou gaan.

Maar sinds een week heb ik een OV-jaarkaart. Die kun je niet weigeren. 'Je zit in de computer', zei de Informatie beheergroep in Groningen. En zo haalde ik mijn kaart op het postkantoor en bestelde ik ruim van te voren op het bureau assistentie-verlening gehandicapten twee bruggetjes. Een opritje op station Leiden. En een afritje in Antwerpen. Want daar was een feestje van mijn uitgever.

Nergens een gele oprit te bekennen. Op een ander perron stopt een dubbeldekker. En daarachter een gewone hondenkop, wijst mijn vader. Hij haat treinen maar hij brengt ons wel weg. We hebben de trein van 11.03 besteld. In één van de twee voorste wagons, had het bureau gezegd. Maar de voorste wagons hebben geen wit rolstoeltje op een blauw bordje. In de verte zwaait een mevrouw met een pet. Ik slalom langs rijen passagiers. De brug staat al aangeschoven. Ik rol naar binnen, mijn moeder valt achter mij aan. In het halletje moeten we wachten. De rolstoelplaats is bezet door mensen met veel koffers. Ze kijken heel boos. Buiten op het perron zwaait mijn vader. Tot morgenavond!

Ik wil links kijken en rechts... Het kasteel bij Voorschoten, de Utrechtse Baan met de Haagse Poort vanaf de andere kant. Het station Hollands Spoor. En daar de weg die ik iedere dag weer met de schooltaxi rijd. Rijswijk en Delft rennen de andere kant op. Bij Rotterdam duiken we onder de grond. Ik tel de lichten. Een bord met Feyenoord... Station Dordrecht, de trein stopt. Het duurt wel lang. Misschien moeten er wagons af- en aangekoppeld. Maar ik hoor niets. Naast mij zit een zenuwachtige mevrouw steeds op haar horloge te kijken. Ze staat op. Door de automatische pufdeuren komt een karretje met Marsen. De koffiemeneer vertelt dat we vertraging hebben. Er staat een lekkende ketelwagen bij Roosendaal. Ik weet niet goed wat ik me daarbij voor moet stellen. Iets stomends en stromends denk ik.

Ja, zegt De Stem Uit Het Plafond, we moeten voorlopig rustig blijven zitten. Op ons baanvak is geen treinverkeer meer mogelijk. Wij horen nog van hem.

Een mooi meisje met lang zwart haar en veel rugzakken kijkt vragend. Zij spreekt Spaans en De Stem alleen Nederlands. Mijn moeder vertaalt het. Het meisje schrikt. Ze moet in Brussel haar vliegtuig naar Zuid-Amerika halen.

Om half een zouden we in Antwerpen zijn, maar in plaats daarvan rijden we over de Moerdijkbrug, naar het eerste station in Brabant. Daar komen bussen, die ons naar België gaan rijden. We moeten allemaal uitstappen. Wij wachten. Er komt niemand. Mijn moeder gaat hulp halen. Maar op station Lage Zwaluwe staat geen afritje. De koffie-meneer weet raad. Ik voel handen en schouders en er schuift een diepe smalle afgrond onder mij. Op het perron moet ik even op mijn knieën. Gelukkig, ik ben eruit. Buiten het stationsplein staat een heel dorp. Maar geen bus. Hoe kom ik daar straks in?

De zon schijnt steeds geler op het bouwdoos-station. Ineens begint iedereen te lopen. Terug, het perron op. We mogen weer in de trein. Het baanvak is vrijgegegen.

Als er geen afritje is, is er ook geen opritje. Ik kruip over de hoge smalle treden. Onder mij wordt geduwd en dan ik zit in het halletje. De rolstoel klapt achter mij aan. In de coupé wordt het gezellig. Alleen het meisje uit Zuid-Amerika kijkt verschrikt. Lage Zwaluwe vliegt terug, ik verder richting Roosendaal.

De huizen worden anders. België. Ik kijk hoe laat het is. Het museum van Plantijn én de boten zullen we wel niet meer halen, maar één van de twee toch nog wel. Dan maar het Scheepvaartmuseum.

Maar dan klinkt er een vreemd geluid. Midden tussen de Vlaamse koeien en een grindpad staat de trein stil. 'Dames en heren, wegens een defecte locomotief kunnen we niet verder.' Het rugzakmeisje kijkt eerst vragend en begint dan te huilen.

Door de deur komen verschrikte mensen. Hun treinstel is niet afgekoppeld en ze hadden de boot in Vlissingen moeten hebben. U krijgt een kopje koffie, zegt de conducteur. Maar de koffiemeneer heeft alleen nog maar drop. Ja, ook nog wel koffie, maar de bekertjes zijn op. Je mag met open mond onder het tuutje voor een slokje, zegt hij op z'n Brabants. Of anders een paar kilometer lopen naar het dichtstbijzijnde station. Niemand lacht.

Er komt een nieuwe locomotief, zegt De Stem, maar wanneer dat weet hij nog niet.

Als we Antwerpen binnenrijden, is het museum nog maar een half uur open. Het vliegtuig in Brussel is al vertrokken en de meneer met het afritje in geen velden of wegen te bekennen. De trein moet door. De mensen voor Vlissingen hollen achter de conducteur aan. Die kan dus niet helpen. Iedereen rent voorbij. Ik word opgetild door zes armen.

Het station is prachtig. Hoog en oud met heel veel drempels en treden en brede marmeren trappen. We gaan op zoek naar hulp. Onderstationschef staat er op een bordje. Jammer dat hij boven zit. 'Zij hebben al onze aandacht, de wielwagens', zegt hij later in de vieze houten pieplift.

Het museum is al dicht, maar de koets met het paard rijdt nog. We klossen door de oude stad. De kathedraal, het stadhuis en de gildehuizen, de haven. De zon raakt al bijna de mist van de Schelde. Achter het Steen ligt het Antwerps Snoephuis. Ik rijd langs de Wijngaard en de Wolstraat. We eten mosselen met frieten, buiten. Dat kan nog nèt. Een baby-ratje snuffelt langs mijn voorwielen. We slapen in het huis van Anna Bijns naast de Peuterspeeltuin en vieren dan het kinderboekenfeest.

De trein naar huis vertrekt die zondag om 17.54 uur. Om kwart over vijf melden we ons bij het loket. De lift knarst en schokt vandaag nog heviger. Boven brengt de onderstationschef ons met een oprit naar een trein zonder wielwagencoupé. Ik word gedumpt in een pisluchthalletje. Ik kan niet door de deur naar de raman. Bij Roosendaal controleert de marechaussee de trein. We moeten overstappen op een andere. En dan kunnen we weer door.

Nee dus, zegt De Stem in het plafond: 'Dames en heren, vanwege een technische storing staat de trein voor onbepaalde tijd stil. Wij doen ons best een en ander zo vlug mogelijk te verhelpen.

Het ligt gewoon aan ons.