Minister was symbool apartheid; Malan vergrootte de macht van het leger

De Zuidafrikaanse oud-minister van Defensie, Magnus Malan (65), is de eerste politicus uit de tijd van het apartheidsbewind die is vervolgd voor misdaden uit die periode.

Malan, een beroepsmilitair die zijn loopbaan in het leger als generaal afsloot, werd in oktober 1980 door president P.W. Botha benoemd tot minister van Defensie. Malan bezorgde de militairen in Zuid-Afrika destijds verregaande bevoegdheden om de 'totale aanslag' van de zwarte bevrijdingsbewegingen en het communisme te bestrijden. Onder zijn leiding beperkten de strijdkrachten zich niet alleen tot de nationale defensie, maar hielden ze zich ook bezig met de handhaving van de orde in de zwarte woonoorden. Verder vocht het leger onder zijn leiding in Angola om de Namibische bevrijdingsbeweging Swapo en het ANC te bestrijden. Malan was in het kabinet de felste tegenstander van het ANC en van de aan het ANC gelieerde communistische partij. Lange tijd proclameerde hij de uitvoering van de “totale nationale strategie” tegen “communisten en terroristen”.

Met de komst van president De Klerk in september 1989 werd de macht van Malan flink beknot. Het beruchte 'Burgersamenwerkingsbureau', dat hij als minister had opgezet om de nationale veiligheid te waarborgen en dat volgens critici banden onderhield met doodseskaders, werd ontbonden. De dienstplicht werd verkort en de noodtoestand, die het leger bijzondere bevoegdheden gaf, opgeheven. In juli 1991 onthief president De Klerk Malan van zijn post. In een ingrijpende reorganisatie van het kabinet bedeelde hij hem een aanzienlijk minder zwaar ministerie toe. Malan kreeg na elf jaar Defensie de post van Water- en Bosbouw. Het ANC eiste al maandenlang het ontslag van Malan, die het verantwoordelijk hield voor het opstoken van geweld tussen zwarte groepen door leger en politie. Onthullingen over geheime betalingen van de Zuidafrikaanse regering aan de Zulu-beweging Inkatha vormden een nieuwe aanleiding voor het ANC om zijn aftreden te eisen. Generaal Malan trad per 1 maart 1993 terug uit de Zuidafrikaanse politiek.

Malan, hoge legerofficieren en aanhangers van de Inkatha-beweging, moesten in het najaar van 1995 voor de rechtbank verschijnen op beschuldiging van moord. Volgens de aanklacht, die veertig pagina's beslaat, waren Malan en zijn medeverdachten in 1985 betrokken bij het recruteren van doodseskaders uit aanhangers van Ikatha. Dezen moesten het ANC in KwaZulu/Natal bestrijden. Zij zouden een lijst hebben opgesteld met daarop de namen van ANC-activisten die vermoord moesten worden. Bovenaan de lijst stond Victor Ntuli, die het ANC in KwaMakhutha leidde. Bij een aanval op zijn huis werden in 1987 dertien mensen, onder wie zeven kinderen, vermoord.

De vervolging van de oud-minister en de voormalige legertop leidde tot politieke ophef en spanningen in de regering van nationale eenheid. Vice-president en leider van de Nationale Partij F.W. de Klerk vroeg president Mandela zijn partijgenoot en de andere verdachten tijdelijke vrijwaring van vervolging te verlenen. Mandela ging echter niet op dat verzoek in.