Jakarta ziet winnaars als lastpak en vijand

ROTTERDAM, 11 OKT. Juichtonen in Lissabon en eerste geschokte verklaringen in Jakarta. De allereerste reacties op de toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede onderstrepen dat Portugal en Indonesië, de twee kemphanen in het internationale geschil rond Oost-Timor, zich niet gelijkelijk gestreeld voelen.

Weliswaar wordt de prijs gedeeld door een Oosttimorese rebellenleider in ballingschap en een Indonesisch staatsburger, maar de laatste, de rooms-katholieke bisschop van het diocees Dili, Carlos Filipe Ximenes Belo, gaat in Jakarta door voor een lastpak. José Ramos Horta, voorzitter in ballingschap van de Nationale Verzetsraad voor Maubere (Oost-Timor), geldt bij de Indonesische autoriteiten regelrecht als 'de vijand'.

Het Nobelprijscomité liet vanmorgen weten dat de beide mannen de prijs te danken hebben aan “hun werk voor een rechtvaardige en vreedzame oplossing van het conflict”. Volgens voorzitter Francis Sejersted hoopt het comité met deze keuze 'bij te dragen tot een diplomatieke oplossing'. Het comité noemde bisschop Belo 'de meest vooraanstaande vertegenwoordiger van het kleine, onderdrukte volk van Oost-Timor'. Ballingenleider Ramos Horta werd getypeerd als de 'leidende spreekbuis in het buitenland voor de Oosttimorese zaak'. De met zijn kudde geëngageerde, maar a-politieke bisschop geldt al jaren als kanshebber voor de vredesprijs. Dat hij hem nu moet delen met de voorstander bij uitstek van een onafhankelijk Oost-Timor is verrassend.

Mgr. Carlos Filipe Ximenes Belo (48) is de enige Oosttimorees met een hoge functie in deze voormalige Portugese kolonie die gezag geniet onder de bevolking. De bisschop accepteert de 'integratie' - de officiële aanduiding voor de inlijving bij Indonesië in 1976 - als een voldongen feit, maar weigert zich door de autoriteiten te laten inzetten tegen anti-Indonesische elementen. Belo beschouwt zichzelf namelijk als zieleherder van álle 700.000 Oosttimorese katholieken - ruim 90 procent van de bevolking.

Sinds zijn aanstelling tot 'apostolisch bestuurder' van het diocees Dili in 1983 staat de deur van zijn ambtswoning open voor gelovigen die slachtoffer zijn geworden van machtsmisbruik door civiele en militaire autoriteiten. Belo spreekt zich regelmatig uit tegen geweld van Indonesische militairen, maar ook tegen de gewapende strijd van de verzetsbeweging Fretilin, die ijvert voor een onafhankelijk Oost-Timor.

Pagina 5: Winnaar Horta is zowel 'verheugd als bedroefd'

Hij heeft zijn persoonlijke gezag dikwijls aangewend om aanvaringen tussen de autoriteiten en jeugddige demonstranten af te wenden. Mgr. Belo's bisdom maakt geen deel uit van de Indonesische kerkprovincie en hijzelf is geen lid van de Indonesische Bisschoppenconferentie. De rooms-katholieke kerk van Oost-Timor valt rechtstreeks onder het Vaticaan, omdat Rome niet vooruit wil lopen op een beslissing van de Verenigde Naties, die de inlijving bij Indonesië nog steeds niet erkennen.

Op 6 februari 1989 schreef bisschop Belo een persoonlijke brief aan secretaris-generaal Perez de Cuellar, waarin hij zich uitsprak voor een referendum, dat de bevolking van Oost-Timor in staat zou moeten stellen zelf te beslissen over aansluiting bij Indonesië. In een vraaggesprek zei Belo dat die brief destijds door Jakarta is onderschept en daar werd opgevat als een 'anti-Indonesische daad'. Belo: “Ik ben er niet op uit om de republiek te schaden; ik wil bijdragen aan een verbetering van de toestand”. Hij zou graag zien dat zijn volk “de vrijheid krijgt om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen toekomst” en pleit tegenwoordig voor een vorm van autonomie binnen het Indonesische staatsverband.

De bisschop is een man van het volk. Hij werd op 3 februari 1948 geboren in Wailakama, een dorpje in het district Baucau, 130 kilometer ten oosten van Dili, als het vijfde van de zes kinderen van Domingos Vaz Filipe en Ermelinda Baptista. Zijn grootvader was boer en de jonge Carlos hoedde als jongetje de buffels van zijn vader, die onderwijzer was aan een missieschool.

Belo doorliep de beste school van de kolonie, het rooms-katholieke seminarie Nossa Senhora de Fatima-Dare in Dili, net als Jose Alejandro 'Xanana' Gusmao, de in 1993 tot twintig jaar veroordeelde Fretilin-commandant. Na zijn eindexamen in 1973 vertrok de jonge Belo naar Portugal, waar hij studeerde aan het Noviciaat van de Orde der Salesianen en aan de Katholieke Universiteit van Lissabon. Hij zette zijn studies voort in Rome en keerde pas in 1981 terug naar Oost-Timor, dat inmiddels was ingelijfd door Indonesië. Twee jaar lang was hij hoofd van een internaat in zijn geboortestreek Baucau en hulppastor in zijn oude parochie. Op 12 mei 1983 werd hij tot bisschop gewijd.

José Ramos Horta was in 1975 een blauwe maandag minister van buitenlandse zaken van het Oost-Timor, dat enkele weken nadat het zich onafhankelijk had verklaard van Portugal werd overweldigd door Indonesische troepen en in 1976 werd ingelijfd bij Indonesië. Sindsdien leeft hij in ballingsschap, afwisselend in New York, Lissabon en Sidney. Sinds vorig jaar neemt hij deel aan de zogenaamde Intertimorese verzoeningingsbesprekingen, een niet-diplomatiek forum waar Oosttimorezen die onder Indonesisch bestuur en in ballingschap leven elkaar treffen. Horta betoonde zich vanmorgen in zijn huidige woonplaats Sidney tegenover de Portugese radio 'zowel verheugd als bedroefd' over de toekenning van de Nobelprijs. “Het winnende duo”, aldus Ramos Horta, “had moeten bestaan uit bisschop Belo en Xanana Gusmao”. José Alejandro 'Xanana' Gusmao, voormalig commandant van het gewapende Oosttimorese verzet tegen Indonesië, zit in Jakarta een gevangenisstraf van twintig jaar uit.