Ik ben lekker zoet; De boeken van en de films naar Roald Dahl

Zes kinderboeken van Roald Dahl zijn inmiddels verfilmd, en in bijna alle zes films is het einde anders dan in het boek. Ook de recente verfilmingen van Matilda en De reuzenperzik kregen een nieuw slot. “Het fatsoen van de filmers wint het van het anarchisme van de schrijver. Of omgekeerd. Vaker omgekeerd zelfs.”

Cinekid festival. 12 t/m 20 okt. in de Meervaart in Amsterdam.

Cinekid op lokatie 12 t/m 27 okt.

James en de reuzenperzik. Regie: Henry Selick. O.a. met Paul Terry, Joanna Lumley, Miriam Margolyes. Te zien in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam.

Matilda. Regie Danny DeVito. O.a. met Mara Wilson, Danny DeVito en Rhea Perlman. Wordt waarschijnlijk in december uitgebracht in de Nederlandse bioscoop. De oudere films zijn te huur in de videotheek.

De boeken van Roald Dahl verschijnen in Nederland bij uitgeverij Fontein.

Een van de beste redenen om van kinderboeken en van kinderfilms te houden, is dat ze geen open einde kennen. De hoofdpersonen leven nog lang en gelukkig, en kijkers en lezers weten precies hoe ze dat doen: snoep uitvindend in een chocoladefabriek, heksen vernietigend in Amerika, verhalen vertellend in een perzikenpit in Central Park. De geruststellende uitkomst van het sprookje is in het kinderboek bewaard gebleven. Toch is er een belangrijk verschil met Sneeuwwitje en Doornroosje en al die andere oude verhalen. Sprookjes eindigen vaak als de hoofdpersonen volwassen zijn geworden. Pas daarna leven ze nog lang en gelukkig, als getrouwde vrouwen en mannen, uit wier leven alle spanning is verdwenen; het enige dat hen nog overkomt is het krijgen van kinderen. In moderne kinderboeken en -films blijven de kinderen kind. Ook bij hen komt er een eind aan het dwingende en toen en toen. Maar er is kans op nieuwe avonturen, want als je acht bent word je negen en ook negen zijn duurt heel erg lang. De treurige boodschap van het sprookje - als je volwassen bent, is het afgelopen - blijft deze helden dus bespaard. Ze hoeven de grens niet over; eeuwig en verrukkelijk blijven ze kind.

Verrukkelijk, ja, want de meeste volwassenen zijn zo verschrikkelijk dat geen kind erin wil veranderen. Het verschrikkelijkst zijn ze wel in de boeken van Roald Dahl (1916-1990). De tantes Spons en Spijker uit De reuzenperzik sluiten hun neefje het liefst op bij de ratten in de kelder. Voor Juffrouw Bulstronk, hoofd van de school van Matilda, is een kelder met ratten nog lang niet eng genoeg. Zij sluit kinderen op in het Stikhok, een hoge, smalle kast met wanden vol glasscherven. Spons, Spijker en Bulstronk zijn geen uitzonderingen. Dahl moet zelf ook af en toe een hekel aan kinderen hebben gehad, zeker aan dikke kinderen - handenwrijvend heeft hij hun kwelgeesten geschapen. De kindervernietigende heksen uit De heksen zijn eigenlijk alleen maar een overtreffende trap van de meeste volwassenen. En als die ze niet gemeen zijn, dan zijn ze wel onverschillig, of ordinair, of bang, of een stelletje oude zeuren. Goede, lieve, aardige, slimme volwassenen, dat zijn bij Dahl de uitzonderingen.

Roald Dahl is voor Engeland wat Annie M.G. Schmidt is voor Nederland: een schrijver die met een mengsel van anarchisme en fatsoen de wereld op zijn kop zet. Het accent ligt bij Dahl iets anders dan bij Schmidt: haar 'ik ben lekker stout' is zijn 'ik ben lekker zoet' - bij Dahl zijn het vaker de volwassenen die stout zijn en verhinderen dat de kinderen doen wat zij leuk vinden: boeken lezen, naar school gaan, wijs worden. Dahl is niet vergeten dat kinderen leergierig zijn. 'Wist u dat het hartje van een muis 650 keer per seconde tikt', vraagt Matilda blij aan haar juf Engel. 'Wist je dat de kleine klavervlinder vaak zijn vrouw op zijn rug ronddraagt' wil Daantje op de deur van zijn school lezen. En de volgende dag weer een ander mooi feit. 'Het stekelbaarsje heeft rare gewoonten. Als hij verliefd wordt op een ander stekelbaarsje bijt hij haar in haar achterste.'

Omdat Dahl een Engelse schrijver is en Schmidt een Nederlandse, zijn de boeken van Dahl wel verfilmd en die van Schmidt niet. Veel mensen schijnen iets te hebben tegen het verfilmen van goede boeken, maar dat is gepraat achteraf. Dan vielen die films zeker tegen. Vooraf is het anders. Want wie net een goed boek heeft gelezen, wil toch graag zien wat hij zojuist heeft gelezen? Schrijvers verzinnen nu eenmaal aanstekelijke verhalen, en filmmakers zijn ook lezers. Zelfs schrijvers willen hun verhaal wel eens met eigen ogen zien, en als er al illustraties bij gemaakt zijn, zien bewegen. Roald Dahl gaf in ieder geval toestemming tot het verfilmen van vier van zijn boeken. Wat daarbij opvalt is, dat Dahl ook toestemming moet hebben gegeven tot het veranderen van zijn verhalen. Bijna alle films naar Dahl hebben een andere einde gekregen. Het kind mag wel kind blijven, maar niet zoals Dahl het gewild had.

Walt Disney

Roald Dahl kwam al vroeg met film in aanraking, nog voor hij in 1961 zijn eerste kinderboek schreef. In 1942 haalde Walt Disney hem al naar Hollywood om te praten over de verfilming van een van zijn eerste verhalen. Dat project mislukte, al verscheen het niet speciaal voor kinderen geschreven verhaal, 'Gremlin Lore', later wel in boekvorm met illustraties van Disney tekenaren. Eind jaren zestig schreef Dahl, die in 1953 trouwde met de Amerikaanse actrice Patricia Neal, de scenario's voor Chitty Chitty Bang Bang en de James Bond You Only Live Twice. Tijdens zijn leven werden vier van zijn boeken - Sjakie en de chocoladefabriek (1971), Daantje de Wereldkampioen, De GVR en De heksen (alledrie in 1989) verfilmd. Dit najaar verschijnen twee nieuwe Dahlboeken in de bioscoop: Matilda en De reuzenperzik. James and the Giant Peach, een poppenfilm van Henry Selick, draait al en opent op 12 oktober de tiende editie van het festival Cinekid. Matilda, een speelfilm van Danny DeVito, komt later dit jaar, maar wordt volgende week voorvertoond op Cinekid. Een boek valt zelfs de eer te beurt twee keer verfilmd te worden. De GVR, waarvan in 1989 in Engeland een televisie-tekenfilm werd gemaakt, wordt waarschijnlijk in Hollywood door Selick nog eens met poppen verfilmd, op dezelfde surrealistische manier als zijn Reuzenperzik.

Een goede film maakt een goed boek nooit overbodig, het kan steeds weer herlezen worden - wie Sjakie en de chocoladefabriek herleest, kan er zelfs bij neurïen: het liedje 'The Candyman' uit de gelijknamige film. Bedenk eens wat Minoes een heerlijke film zou kunnen zijn, of Pluk van de Petteflet. Burny Bos en Ben Sombogaart werken nu gelukkig aan een verfilming van Schmidts Abeltje.

Over geen van de verfilmingen van Dahl valt een kwaad woord te zeggen. Of het nu een tekenfilm, een poppenfilm of een speelfilm betreft, ze zijn allemaal verbazingwekkend goed. Tekenfilms zijn voor het werk van Dahl overigens minder geschikt dan speelfilms: Dahl doet altijd zijn best om de lezer te laten geloven dat het allemaal echt gebeurt en dat het daarom zo gek en griezelig is. Tekenfilms kunnen dat minder goed overbrengen dan speelfilms. Wie Tom al honderd keer in een vaas heeft zien veranderen, kijkt niet zo raar op als er opeens een reuzenperzik aan een boom groeit. 'Raar' verandert dan in 'mooi' en daar is het Dahl nooit om te doen geweest.

'James Henry Trotter had drie volle jaren bij zijn tantes gewoond toen er op een ochtend iets gebeurde dat nogal eigenaardig was. En dit iets, dat zoals ik al zei, alleen maar nogal eigenaardig was, veroorzaakte al spoedig een tweede gebeuren dat zeer eigenaardig was. En toen veroorzaakte op zijn beurt dat zeer eigenaardige iets dat er iets gebeurde dat werkelijk bijzonder eigenaardig was.' Zo begint het tweede hoofdstuk van De reuzenperzik - in het eerste zijn de ouders van James al door een neushoorn opgegeten. En er volgen nog wel meer dan drie eigenaardige ietsen; alle boeken van Dahl zijn een opeenstapeling van eigenaardige ietsen die met een onverbiddelijke vanzelfsprekendheid op elkaar volgen. De meeste regisseurs volgen Dahl in zijn bizarre logica.

Dahl is een slordig verzinner. Soms is het net alsof hij zich niet bekommert om de logica van zijn eigen verhalen. Het is bijvoorbeeld ongeloofwaardig dat de insekten niet snappen dat de reuzenperzik eetbaar is en daarom bijna verhongeren. Soms lijkt het alsof de schrijver te lui was om een paar bladzijdes terug te gaan in zijn tekst en een nieuw element in het verhaal behoorlijk voor te bereiden - geen schrijver die zo vaak de frase 'je moet weten dat' gebruikt. Soms neemt hij zelfs die moeite niet. Juist om dit soort schoolmeesterachtige kritiek voor te zijn, moet Dahl Willy Wonka hebben gecreëerd, directeur van de onvolprezen chocoladefabriek, die het ene gekke idee na het andere op hol laat slaan - de consequenties zijn toch nooit te overzien. Als de directeur in De glazen lift de zeurderige grootouders van Sjakie een verjongingsspil wil geven, merkt een van hen snedig op: Maar waarom neem je er zelf niet een? Dan had je de fabriek niet aan Sjakie hoeven te geven. 'Iedereen kan vragen stellen', antwoordt Wonka dan. 'Het is het antwoord dat er toe doet.' Daar blijft het bij.

De Dahlfilms zitten meestal hechter in elkaar dan de Dahlboeken. En naarmate het verhaal vordert, gaan boek en film steeds meer van elkaar verschillen. Het fatsoen van de filmers wint het van het anarchisme van de schrijver. Of omgekeerd. Vaker omgekeerd zelfs.

Toveren

Julie Andrews zou de perfecte actrice geweest zijn om in een film naar Roald Dahl een goede volwassene te vertolken, juffrouw Engel bijvoorbeeld, de voorbeeldige onderwijzers van Matilda. Of de flitsende vader van Daantje de Wereldkampioen (Andrews speelde tenslotte eerder een man, in Victor/Victoria). Andrews is een van de weinigen die, net als Dahl, baldadig en tuttig met elkaar weet te verenigen. Helaas is het niet gebeurd. Maar Andrews speelde wel in een andere kinderfilm, Mary Poppins (1964). Deze film is behalve onvergetelijk ook onverdragelijk; onverdragelijk omdat de filmers niet geloven in de dingen die Mary Poppins onvergetelijk maken. Dat Mary Poppins kan vliegen, kan toveren, dat vinden de filmmakers helemaal niet opmerkelijk. Want aan het slot van de film willen ze ons wijsmaken dat met je vader gaan vliegeren net zo leuk is als met Mary Poppins zelf door de lucht vliegen. Waarschijnlijk weten de filmmakers ook wel dat ze liegen. Ze zien het vast als een leugentje om bestwil. Ze doen het voor de kinderen. Want het is toch zielig als die de bioscoop uit komen en ze beseffen dat ze nooit een Mary Poppins zullen ontmoeten; dat het hoogst haalbare is met hun vader een vlieger op te laten? Die meeste kinderen beseffen dat best. Maar laat ze een plek waar ze Mary Poppins wel kunnen tegenkomen: het boek en de bioscoop.

In een aantal films naar Roald Dahl is dezelfde lafheid geslopen. In De reuzenperzik bijvoorbeeld. De regisseur laat daarin de neushoorn die de ouders van James heeft opgegeten overdrachtelijk worden, een doodzonde. De neushoorn keert aan het eind van de film terug als de personificatie van de angst. Ook de twee tantes, die in het boek door de perzik worden platgewalst, keren terug. Ze hebben de aanslag blijkbaar overleefd - maar op de vraag hoe dat mogelijk is weet alleen Willy Wonka het antwoord.

Ook de beste film naar een boek van Dahl volgt de auteur niet tot het uiterste. De heksen, geregisseerd door Nicholas Roeg en gespeeld door onder anderen Angelica Huston, is de engste film die naar Dahl is gemaakt. De scène waarin de heksen tijdens een vergadering allemaal hun pruik afzetten en aan de korsten op hun hoofd krabben is zelfs enger dan in het boek. En dat ene kleine jongetje zit bij deze korstenkoppen opgesloten! Luke, zoals het naamloze jongetje uit het boek in de film heet, ontsnapt in de film, dat maakt het nog erger, want even is er hoop, maar niet voor lang, want nadat hij nog even een baby heeft gered, pakken ze hem weer en is zijn lot onontkoombaar: jongetje wordt muis. In het boek blijft Luke muis en even lijkt het erop dat hij ook in de film zo nog gelukkig zal leven, al is het niet zo lang, want muizen worden helaas niet zo oud. Grootmoeder heeft voor Luke allerlei fijne apparaten in huis geïnstalleerd: de muisjongen vliegt in een vliegmachientje de trap af en rijdt in een trein naar zijn bed. Zulke leuke dingen had Dahl niet eens voor hem bedacht. Maar in de film mag het toch niet zo blijven. Door toedoen van een goede heks weer jongen. Roeg heeft de jongenshuid zo mooi gefilmd dat we er blij om zijn, zo zacht, zo heel is hij, maar Willy Wonka had het waarschijnlijk niet goed gevonden. Als die een mens in zichzelf terugverandert, is het alleen maar om te laten zien dat ze beter anders hadden kunnen blijven. Die oude zeuren hadden het als baby beter dan als tachtigjarige. Roeg schijnt Dahl eerst trouw te hebben willen blijven, maar de studio dicteerde een ander einde.

Dromenland

Toch is het niet zo dat het verschil tussen boek en film op het conto van Hollywood valt te schrijven. Want er zijn ook twee films die een mooier slot hebben dan het boek. In De GVR komen Sofie en de reus bij de koningin van Engeland terecht, die in de Nederlandse nasynchronisatie de stem van Beatrix heeft gekregen. In het boek blijven Sofie en de GVR gezellig bij de koningin wonen. In de film gelukkig niet. Ze gaan lekker terug naar dromenland.

Het slot van Matilda is eveneens verbeterd. In het boek verliest Matilda de toverkunsten waarmee ze de verschrikkelijke Bulstronk te lijf ging. 'Ik ben blij dat het zo is', zei Matilda. 'Ik zou niet graag als een soort wonderdoener door het leven gaan.' En terwijl ze haar bruine boterham met jam eet, begint ze te praten over snel kloppende muizehartjes. Bah. Het lijkt wel Mary Poppins. In de film blijft Matilda toveren. Ze woont bij de juf en ze doen allerlei kleffe dingen, in plaats van een vlieger op te laten rolschaatsen ze in de kamer. Maar als Matilda naar bed gaat, blijken haar geheimzinnige krachten haar toch niet verlaten te hebben. Matilda leest juf voor uit Moby Dick en ze laat het boek de kast uit zweven.

Toch zou Dahl Dahl niet zijn als hij alle filmmakers niet te slim af zou zijn geweest. Hij wist iets te verzinnen dat Mary Poppins en Willy Wonka met elkaar verzoent en tussen kinderen en volwassenen geen kloof laat zijn. Het mooiste einde is een einde van Dahl zelf. Het staat op de laatste bladzijde van Daantje de Wereldkampioen en het heeft de film niet gehaald. Het hoort eigenlijk ook niet bij het verhaal, waarin Daantje met zijn vader vliegert, maar ook een heleboel andere dingen doet, zoals het vullen van krenten met slaapmiddel om heel veel fanzanten te kunnen vangen. Het einde is een boodschap. En die luidt zo:

Voor alle kinderen die dit boek gelezen hebben: ALS JIJ GROOT BENT EN ZELF KINDEREN HEBT HERINNER JE DAN ALSJEBLIEFT ÉÉN HEEL BELANGRIJK DING!

Aan een ALLEDAAGSE vader heb je niks. Waar een kind behoefte aan heeft en ook recht op heeft is een vader, die SPRANKELT!