Het raadsel van Nederland

Hoe zien Nederlanders hun taal? Het is opvallend dat de recente ingrepen der taaldeskundigen, na eerst wat gemor te hebben veroorzaakt, nu al slaafs zijn aanvaard door vrijwel alle redacties en uitgeverijen. Weten Nederlanders te weinig van hun taal? Is kennis der taalkunde waar het aan schort?

Er wordt de laatste tijd gepleit voor het invoeren van taalkunde als examenvak op de middelbare scholen, en dat lijkt mij een uitstekend idee, met de aantekening dat er iets nog urgenters is, en dat is onderwijs in de filosofie.

Maar nu. De schrik slaat je om het hart als je denkt aan de onzin die onder het mom van filosofie onderwezen kan worden, en ook met taalkunde is iets vreemds aan de hand: het is of sommige taalkundigen verstoken zijn van taalgevoel en zich alleen maar kunnen uitdrukken in erbarmelijk Nederlands. Je herkent ze aan een eigenaardige liefdeloosheid tegenover de taal; wat zij liefhebben is niet taal maar regels en voorschriften. En zij alleen weten ook wat voor Nederlandse schoolkinderen onoverkomelijk moeilijk is: leren spellen.

Zulke mensen moeten dus niet voor de klas staan, zoals je ook geen filosofieleraren moet hebben die Derrida zijn toegedaan.

De gevoelloosheid van deze taalkundigen voor taal is een verschijnsel waar ik me telkens opnieuw over kan verwonderen. Ze aarzelen niet om levende taal in een keurslijf te dwingen ter wille van een systematiek, ze zijn bereid woorden te verminken om ze te laten gehoorzamen aan een regel. Een onthullend voorbeeld is het recente voorschrift het woord pannekoek te veranderen in pannenkoek; dat is geen Nederlands woord.

Ik kan niet ontkennen dat zich daarbij een afkeer van mij meester maakt die niet vrij is van irrationele componenten. Deskundigen die pannekoek in pannenkoek veranderen, ik zie ze voor mij en huiver: vergaderaars, leden van commissies, onaanraakbare wezens met een neusstem en een witte sliblaag op hun lippen; ze dragen hun overhemd in hun onderbroek, zodat er een witte rand zichtbaar blijft boven hun broekband. Ze wonen in huizen met kurkparket en bimbamgeluid als je aanbelt, in de hal een lamp van kathedraalglas en een ingelijste siertegel op de deur van de wc. Zonder huisdieren, onmuzikaal, onbelezen en vooral onherstelbaar humorloos; ze zijn herkenbaar aan uitspraken als: 'zoals ik laatst nog tegen mijn studenten (leerlingen, cursisten) zei..' en 'kijk, wij taalkundigen zien dat zo..'

Uit die wereld stamt de pannenkoek - met de rodenkool, de ruggenspraak, het smartengeld, de kinnenbak en de zielenpoot; hoe ellendig dat klinkt horen ze eenvoudig niet, ze hebben beton in hun koppen, ze zijn taaldoof. Maar zelf beschouwen ze zich als expert en gewone taalgebruikers noemen zij leken. Het onbegrijpelijke, ja het raadsel van Nederland is dat ze gehoorzaamd worden inplaats van opgesloten of doodgeslagen. Nederlanders, voortaan moeten jullie schrijven: kousenvoeten, hartenkreet, prullenbak, sintjuttenmis, paardenkracht, santenkraam, klassenlocaal, klerenlijder, herenmiet en paddenstoel! En waarachtig, ze doen het.

Op het gezag van die paar minkukels die zelf niet in staat zijn één mooie Nederlandse volzin te schrijven, kneusjes met hersenbeschadiging die je niet zou toestaan zich met enig aspect van je privé-leven te bemoeien; maar het gaat niet over onze taal of met abjecte gehoorzaamheid neemt iedereen in Nederland al die stuitende non-woorden over.

Of bijna iedereen; er zijn wel een paar mensen die weigeren, maar het zijn er te weinig en het blijft onzichtbaar, want als het in druk verschijnt is het veranderd door de correctors.

Dat is de andere helft van het probleem: die vijfde colonne van de pannenkoekdictatuur. Zoals in Frankrijk en in Nederland de eigen nationale politie tijdens de oorlog al meteen begon met maatregelen waar de Duitsers nog niet eens om gevraagd hadden, gewoon uit ijver en hoop op een pluimpje, zo staan bij ons de collaborerende redacteuren en correctors te popelen om die imbecielenspelling uit te voeren, als 't kon met bekeuringen voor de overtreders.

Ik noemde daarnet Frankrijk, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat iets als dit in Frankrijk ondenkbaar zou zijn; ook in Duitsland, waar een paar timide veranderingen in de spelling al een krachtig verzet hebben opgeroepen, zou je niet hoeven proberen met veranderde woorden aan te komen. En evenmin in Engeland. Van alle mij bekende landen leeft daar nog het sterkst het besef dat men als spreker van de taal zelf competent is.

'Een land waarin driehonderdduizend Schrijfwijzers en honderdduizend Stijlboeken van de Volkskrant in omloop zijn', schreef Battus een paar maanden geleden, 'is een beklagenswaardig land.' Het zou de meeste Engelsen niet invallen de opinie van een 'deskundige' te vragen: 'I know, because English is my mother tongue.' 'I know, because I read books.'

Het is op zulke gronden dat ik van mening ben dat wij niet verplicht zijn te doen wat die ingebeelde dwaallichten van ons willen. Geen gehoor geven aan deze instructies is de boodschap. Weigeren, voet bij stuk houden, ruzie maken. Dat is geen gebrek aan civisme, het gaat hier niet om een maatregel in het algemeen belang en niet om iets dat een gewone burger niet kan beoordelen. Er wordt wel telkens geprobeerd het zo voor te stellen, vandaar dat schermen met 'deskundigheid', maar het antwoord zou moeten zijn: 'Ik weet het, want het is mijn moedertaal.' En natuurlijk ook: 'Ik weet het want ik lees boeken.'

Maar zie, dat is de ellende, bij ons wijken de boeken van vorige generaties af van de huidige en met elke ingreep wordt dat erger; al sinds meer dan een eeuw wordt er aan één stuk door met de taal geëxperimenteerd en geknoeid, en de Mammoetwet is de genadeslag geweest. Wat is goed Nederlands? Er zijn steeds minder mensen die het iets kan schelen. Het enige dat die generaties van taaldeskundigen op de schoolkinderen hebben weten over te brengen is hun liefdeloosheid jegens de taal.