Het gefingeerde leven van Cesare Pavese

Cesare Pavese: Het huis op de heuvel. Vertaald uit het Italiaans door Martine Vosmaer. De Bezige Bij, 192 blz. ƒ 36,50

Henk Pröpper: Cesare Pavese. De Bezige Bij, 80 blz. ƒ 19,90

Hein Aalders en Jan Kostwider: Een man alleen, de zelfmoord van Cesare Pavese. Aalders & Co, 152 blz. ƒ 55,- (geb.) ƒ 35,-

Alle fictie van Cesare Pavese is autobiografisch, al zijn romans en verhalen kunnen worden teruggevoerd op zijn leven. Dit betekent niet dat de schrijver zichzelf rechtstreeks portretteert, maar wel dat zijn werk meer is ontstaan uit ervaring dan uit verbeelding. Toch kan ook de verbeelding niet helemaal terzijde worden geschoven. Want ook al zijn de door hem beschreven personages, gebeurtenissen en achtergronden grotendeels ontleend aan de realiteit, ze zijn zodanig gestileerd en vormgegeven dat de biografie overal heeft moeten wijken voor de literatuur. Maar het blijft een vorm van literatuur waarbij je je als lezer niet kunt losmaken van de gedachte dat de schrijver het over zichzelf en over zijn eigen leven heeft.

Deze premisse is nadrukkelijk van toepassing op zijn nu in het Nederlands vertaalde roman Het huis op de heuvel, die zich afspeelt in de laatste oorlogsjaren. De hoofdpersoon Corrado, een leraar aan een middelbare school in Turijn, verlaat elke dag na afloop van zijn lessen de stad, die in handen is van de fascisten en 's nachts door de geallieerden wordt gebombardeerd. Hij brengt de nacht door in de heuvels, waar hij bij twee dames een kamer heeft gehuurd. Op een wandeling door de bossen komt hij terecht bij een afgelegen boerenhofstede, waar hij zijn vroegere geliefde Cate ontmoet, die er met een groep partizanen is ondergedoken. Omdat Corrado zich niet alleen voelt aangetrokken tot Cate, maar ook door haar zoontje Dino (die misschien wel eens een kind van hem zou kunnen zijn), keert hij 's avonds vaak naar de boerderij terug om er een glas te drinken en over politiek te discussiëren.

Op een dag is hij er, samen met Dino, uit de verte getuige van hoe Cate en haar metgezellen door de nazi's worden gearresteerd, nadat bij een inval in het huis een wapenarsenaal is ontdekt. Corrado, later gevolgd door Dino, zoekt zijn toevlucht in een klooster, waar hij een periode van geestelijke bezinning doormaakt. Als de grond hem ook daar te heet onder de voeten wordt, keert hij, nadat Dino zich heeft aangesloten bij de partizanen, terug naar zijn geboortestreek, het zuidoostelijk van Turijn gelegen heuvelland van de Langhe. Op de tocht daarheen, dwars door een gebied waar partizanen en fascisten elkaar bloedig bestrijden, ziet hij de dood recht in de ogen.

Het huis op de heuvel is een boek dat wat moeizaam begint, maar eenmaal op gang gekomen een meeslepende dramatiek krijgt. De roman, enkele jaren na de oorlog geschreven, is waarschijnlijk de meest autobiografische van Pavese, een vermoeden dat wordt gesterkt door de ik-vorm waarin het is geschreven. In de hoofdfiguur Corrado heeft de schrijver zeer veel van zichzelf gelegd, niet alleen uiterlijke omstandigheden en gebeurtenissen, maar ook opvattingen, gevoelens en idealen. Bijna alle Pavese-thema's komen in de roman samen: zijn onmacht tegenover vrouwen, zijn verlangen naar een zoon, zijn politieke besluiteloosheid, zijn gevoelens van minderwaardigheid, zijn heimwee naar de kindertijd, zijn mythologisering van de natuur, enzovoorts.

Veel van deze elementen komen ook aan de orde in een boekje dat onder de simpele titel Cesare Pavese gelijktijdig met de roman bij dezelfde uitgeverij is verschenen. In deze door Henk Pröpper gechreven minibiografie wordt een poging gedaan om de schrijver aan de hand van zijn leven en werk psychologisch te 'verklaren'. Daarbij valt de nadruk nogal sterk op zijn zelfmoord en op de toespelingen en uitspraken waarmee hij die daad al lang vantevoren aankondigde. Helemaal overtuigend is Pröppers boekje niet: het betoog vertoont weinig samenhang en is in een warrige stijl geschreven. Gelukkig zorgt het rijke illustratiemateriaal voor enig tegenwicht: de tekst is met niet minder dan tachtig foto's geïllustreerd.

Dat Pavese bijna vijftig jaar na zijn dood de gemoederen nog steeds bezighoudt, blijkt ook uit het feit dat er, synchroon aan deze twee uitgaven, een derde boek over hem is verschenen met als titel Een man alleen, de zelfmoord van Cesare Pavese. Achter deze titel gaat een verzameling opstellen en overzichten schuil van de hand van Hein Aalders en Jan Kostwinder. De auteurs brengen allereerst boeiend en liefdevol verslag uit van een literaire pelgrimage die zij ondernamen naar Piemonte, waar zij de plaatsen en plekken bezochten die een rol speelden in Pavese's leven: in Turijn onder andere het huis waar hij woonde, de uitgeverij Einaudi en de Albergo Roma waar hij zijn leven beëindigde; in Santo Stefano Belbo zijn geboortehuis, het aan hem gewijde documentatiecentrum en de berg Moncucco die in zijn werk voorkomt.

Ook in dit boek krijgt Pavese's zelfmoord relatief veel aandacht, maar de beschouwingen eromheen zijn helderder geformuleerd. Een aangename verrassing is verder dat een van de essays gewijd is aan Pavese's taccuino segreto, een persoonlijk notitieboekje dat pas in 1990 is gepubliceerd. Een van de opvallende, zelfs schokkende, zaken die men erin kan lezen is dat de schrijver het fascisme niet onvoorwaardelijk blijkt te hebben afgewezen. Maar ook op dit punt weten de auteurs via een genuanceerd commentaar klaarheid te scheppen. De door hen geschreven essays worden gecomplementeerd door een twintigtal Pavese-gedichten in het Nederlands van de hand van tien verschillende vertalers. En uit de overvloedige bibliografie kunnen we ten slotte afleiden dat verreweg de meeste pavesiana in Nederland zijn vertaald door Anton Haakman en uitgegeven door de Bezige Bij.