Gerry Adams, president van Sinn Fein; Meester in het verzwijgen en verdraaien

Gerry Adams: Before the Dawn, an autobiography. Heinemann, 347 blz. ƒ 56,70. Vertaling: Herinneringen, Babylon-De Geus, 301 blz. ƒ 49,50

'Nee, zei hij tegen zichzelf, het was niet juist om te doden. Maar hij had geen keus. Natuurlijk had hij een keus. Niemand dwong hem te doen wat hij aan het doen was. Hij kon nog ditzelfde moment weggaan. Weggaan? Wat had het voor nut om hier te blijven? Niemand zou weten dat hij de benen had genomen. Niemand zou klagen. Ze zouden denken dat hij zijn best had gedaan.

Hij richtte zijn aandacht weer op de taak die voor hem lag. Of het nou juist was of niet om te doden, soms was het nodig. Hij beproefde die stelling. De mensen die hij probeerde te doden waren beter gewapend, beter uitgerust, beter getraind dan hij. Ze waren ook met meer.

En ze zouden niet aarzelen hem te doden. Hij hervond zich weer, twijfels en ongewisheden uit zijn geweten verbannend. Het was zijn land, niet hun land. Ze hoorden hier niet. Zij waren de vijand. Ze gunden hem geen andere keuze dan te vechten. En in het gevecht was het nodig om te doden.'

Aan het woord is Gerry Adams, in een boek dat ten onrechte wordt gepresenteerd als zijn autobiografie. Adams, president van Sinn Fein, de politieke vleugel van het verboden Ierse republikeinse leger (IRA). Adams, die door zijn aartsvijand dominee Paisley 'Satan op aarde' wordt genoemd en door de republikeinse katholieken in West-Belfast als 'bevrijder' wordt bejubeld. Zijn Nederlandse uitgever omschrijft hem op de achterflap van Herinneringen eerbiedig als 'de onbetwiste hoofdrolspeler in het Noordierse vredesproces'.

Halverwege Before the Dawn, de meer poëtische Engelse titel, schildert Adams hoe een Britse soldaat wordt vermoord door een Ierse 'vrijheidsstrijder'. Maar de lezer moet niet denken dat Adams zelf de loop van het geweer gericht heeft. Het is maar een verhaaltje, om een idee te geven 'van de dilemma's binnen een gemeenschap die zucht onder Britse bezetters'. Drie bladzijden fictie in het hart van een autobiografie. Daarmee wekt Adams doelbewust de indruk dat hij de gewapende strijd kent uit eigen ervaring. Maar zèggen doet hij het niet.

In de Nederlandse vertaling is die sleutelpassage trouwens weggevallen, samen met zeker eentiende van de oorspronkelijke tekst. Navraag bij de uitgeverij leert dat het snoeien bedoeld is om de leesbaarheid te vergroten. Dat het verhaal van de moord op de Britse soldaat is 'wegbewerkt', heeft een vormtechnische en geen politieke reden. Fictie, vindt de uitgeverij, hoort nu eenmaal niet thuis in een autobiografie. Maar zo'n verantwoording ontbreekt in het boek. De uitgeverij onthoudt de Nederlandse lezer één van de meest intrigerende en omstreden passages.

Was Adams op 23-jarige leeftijd al IRA-bataljonscommandant in Belfast, zoals de Britse veiligheidsdiensten beweren? Heeft hij opdracht gegeven tot moorden? Hoe verlopen de contacten tussen Sinn Fein en de IRA? Heeft Adams zich verzet, toen de IRA begin februari na anderhalf jaar staakt-het-vuren besloot de wapens weer op te pakken? Wie een antwoord hoopt te vinden op deze vragen, komt bedrogen uit. Als vermeend terrorist en potentieel doelwit heeft Adams zich zoveel jaren voor de Britse autoriteiten en loyalistische terreurorganisaties moeten verschuilen, dat hij misschien niet eens meer in staat is om zich bloot te geven. In dertig jaar politieke guerrilla heeft hij zich ontwikkeld tot een meester in het verzwijgen en verdraaien.

Niemand kan Adams verwijten dat hij de lezers niet waarschuwt. Hij erkent in het voorwoord dat hij zichzelf bij het schrijven strenge beperkingen heeft opgelegd. Hij wilde de vrijheid of levens van individuen niet in gevaar brengen. Hij wilde ook niks melden wat het streven naar vrede zou kunnen ondermijnen. Dus moest hij 'selectief' zijn. 'Het is waarschijnlijk altijd zo dat deelnemers in welk conflict dan ook pas het hele verhaal kunnen vertellen lang nadat het conflict volledig uit de wereld is geholpen', schrijft hij, een toelichting die de Nederlandse vertaling ook niet heeft gehaald. De laatste vijftien jaar doet hij in tien bladzijden af.

Adams komt uit Before the Dawn naar voren als een ongrijpbaar, ondoorgrondelijk politicus die zijn leven in dienst heeft gesteld van de Ierse eenwording en de verheffing van het katholieke proletariaat. Het is niet meer dan logisch dat hij ook het schrijven van een autobiografie aan dat doel ondergeschikt heeft gemaakt. Een vleugje Adams, een flinke scheut historie in een whiskyglas vol propaganda, dat is de 'bloody' cocktail die ex-barman Adams zijn lezers bereidt.

In de beschrijving van zijn jongensjaren, als oudste in een arbeidersgezin van tien, toont Adams zich een onverbeterlijke romanticus. Zijn verhaal over de jonge Gerry die Biggles leest en stottert, leest als een streekromen. Zijn vriendjes waren van plan een kikker met een rietje op te blazen. Maar Gerry weerhield hen. Tóen al, is de suggestie die de lezer op een presenteerblad wordt aangereikt.

Lyrisch is hij ook over de katholieke arbeiders die eind jaren zestig, begin jaren zeventig het lot in eigen handen namen. Hij prijst hun kracht en onbaatzuchtigheid. Even warmbloedig schrijft hij over de kameraadschap en de gemeenschapszin die hij tijdens zijn vijf jaar in de gevangenis ervaren heeft.

Zijn jeugd en zijn verblijf in de gevangenis noemt hij de enige stabiele periodes in zijn leven. De rest van zijn bestaan is hij altijd op de loop geweest, dagelijks van onderkomen wisselend, zijn vrouw en zoon alleen bezoekend als de plicht niet riep. De spanning van een dergelijk leven, de vele vrienden die hij in de gewapende strijd heeft verloren, zijn vermoeidheid en vertwijfeling, allemaal onderwerpen die hij alleen aanstipt. Het wachten is op een echte autobiografie, als het geluid van de laatste bom allang is verstomd.