Frans-Nederlandse spraakverwarring

Annie Jourdan en Joep Leerssen (red.): Rembus révolutionnaires,République batave, armée française. Amsterdam University Press, 250 blz. ƒ 49,50

De opmerking is de laatste tijd veel gemaakt: Nederland en Frankrijk begrijpen elkaar slecht. Ook in het verleden was dat nogal eens het geval. Een van de misverstanden is nu opnieuw gedocumenteerd.

Vorig jaar was het tweehonderd jaar geleden dat de Franse revolutionaire legers Nederland binnenvielen of, zo men wil, kwamen bevrijden. Op het Institut Néerlandais te Parijs wordt ook deze periode in bijeenkomsten met Nederlandse en Franse historici bestudeerd. De uitkomsten van deze kleinschalige congressen geeft de Amsterdam University Press uit in een goed verzorgde reeks. Het jaar 1795 is het thema van het jongste deel ervan. Het is geredigeerd door de Frans-Nederlandse historica Annie Jourdan en de Amsterdamse onderzoeker Joep Leersen die zich vooral met literaire beeldvorming bezighoudt.

Herdenkingen vormen voor historici een lastig genre omdat de aanzet ertoe niet wordt gegeven door een onderzoeksvraag, maar door de wens na een rond aantal jaren weer eens aandacht te geven aan een belangrijk feit uit het verleden. Een nieuw beeld van de betekenis van 1795 geeft de bundel dan ook niet. Maar de artikelen, die veel aandacht besteden aan de culturele en intellectuele achtergrond van de revoluties in beide landen en aan de beeldvorming over en weer, zijn interessant omdat ze gelezen kunnen worden als de geschiedenis van een misverstand.

De Patriottische revolutie van 1787 maakte niet veel indruk op de Franse revolutionairen. Zij hadden een zeker respect voor de stoere zestiende- en zeventiende-eeuwse Republiek, maar naar hun indruk zetelden de bezadigde, gematigde en materialistische Nederlanders inmiddels vooral met hun volle gewicht op hun fabelachtige rijkdom.

Fabelachtig is hier inderdaad het juiste woord, want de Republiek was veel minder rijk dan de Fransen dachten. Tegen beter weten in handhaafden zij echter ook na 1795 hun beeld van de rijke Hollander: het Hollandse geld moest immers de lage Franse schatkist vullen. De theoretische discussies in het Franse parlement of er nu oorlog werd gevoerd tegen de stadhouder of tegen het Nederlandse volk hadden uiteindelijk weinig relevantie. Betaald moest er worden, hoe dan ook. De invoering van een gecentraliseerde eenheidsstaat in Nederland strookte weliswaar met revolutionaire idealen, maar sprak de Fransen vooral aan omdat zij meenden dat deze staat de belastingen beter zou kunnen innen.

Ondertussen toonde Napoleon zijn waardering voor de Nederlandse cultuur door voor te stellen een schilderij van Gerard Dou als oorlogsbuit naar het Louvre te halen en verwachtte een Parijse krant dat het Nederlands geleidelijk zou degraderen tot een dialect van dienstbodes, werklieden en matrozen. Geheel onvoorstelbaar was deze gedachte overigens niet, omdat in de Nederlandse elite veel Frans gesproken werd.

Nederlandse patriotten identificeerden zich soms geheel met de Franse revolutionaire zaak. Daendels, die na 1787 naar Frankrijk was gevlucht schreef zelfs een enthousiaste brief aan de Assemblée nationale na de gerechtelijke onthoofding van een niet voldoende radicale medevluchter in 1794.

Toch was de invloed van de Franse denkbeelden opervlakkiger dan het soms leek. Rousseau werd gelezen, maar Nederlanders oriënteerden zich uiteindelijk veel meer op Angelsaksische denkers. En toen in Nederland de eenheidsstaat werd ingevoerd, bleef de inbreng van lagere overheden groter dan in Frankrijk. Nederlandse tradities en problemen bleven het beleid van de Bataafse Republiek domineren.

De Frans-Nederlandse misverstanden en tegenstellingen worden het aardigst toegelicht in enkele artikelen achterin de bundel. Dhombres, een Franse kenner van de wetenschapsgeschiedenis in revolutietijd, beschijft de nauwe band van staat en wetenschap in Frankrijk. Meer dan voorheen verwachtte de overheid grote resultaten op maatschappelijk en zelfs militair gebied van een systematische, door de overheid gestimuleerde, wetenschapsbeoefening. De band tussen staat en wetenschap leverden vele resultaten op. Dhombres beschrijft de invoering van het decimale stelsel in maten, gewichten en volumes. Dit was een revolutie van ongekende omvang waarvan wij ons de betekenis alleen nog kunnen voorstellen als we ons de later weer ongedaan gemaakte hervorming van de tijdsindeling met nieuwe namen voor de geest halen.

De Utrechtse cultuurhistoricus Mijnhardt toont aan dat in de Bataafse Republiek van staatsinitiatieven op het terrein van de wetenschap niet veel terechtkwam. Om te beginnen ontbrak hier de Franse étatistische traditie en bovendien werd de nationale energie liever aan lager onderwijs besteed dan aan wetenschap en universiteit. De Bataafse Republiek wilde met goed lager onderwijs een mentaliteitsverandering teweegbrengen en legde zo de grondslagen voor een nationaal lager-onderwijssysteem dat in het buitenland bewondering afdwong.

De bundel wordt afgesloten met een artikel van de Amsterdamse literatuurhistoricus Van den Berg over Lodewijk Bonaparte, de broer van Napoleon en van 1806 tot 1810 de eerste koning van Nederland. Lodewijk Bonaparte had zo veel sympathie voor Nederland dat hij het land tegen Franse uitbuiting wilde beschermen, maar had tegelijkertijd zo weinig succes bij zijn broer dat hij de geschiedenis is ingegaan als een wat tragikomische figuur, bekend door de omschrijving van zijn functie: 'Iek ben konijn van Olland'. In zijn elegante bijdrage analyseert Van den Berg de roman van zevenhonderd pagina's die Lodewijk na het onfortuinlijke einde van zijn koningschap schreef over Fransen en Nederlanders. Het is geen literair hoogtepunt en zozeer vergeten dat de titel ervan zelden goed wordt weergegeven. Lodewijk beschrijft er de Betuwe, min of meer als pars pro toto voor Nederland, in de vorm van een pastorale, onschuldig en rustig, tegenover de wereldwijze, maar ook vaak voze en onder invloed van de Revolutie gedesoriënteerde Parijse beschaving.

Ook Fransen met sympathie voor Nederland slaagden er blijkbaar niet in zich een goed beeld van het land te vormen. Maar het kan verkeren. Er zullen nu niet veel meer Fransen te vinden zijn die Nederland schilderen als het idyllische en onschuldige tegendeel van hun eigen land.