Essays van Hella Haase; Waarom Charlotte wel en Belle niet?

Hella S. Haasse: Uitgesproken, Opgeschreven. Essays over achttiende-eeuwse vrouwen, een bosgezicht, verlichte geesten, vorstenlot, satire, de pers en Vestdijks avondrood. Querido. 187 blz. ƒ 39,90

Dat Hella Haasse zich aangetrokken voelt tot de achttiende eeuw, ligt voor de hand. Wie zoveel historische romans heeft geschreven als zij, moet wel gefascineerd worden door de époque waarin het moderne historische bewustzijn is ontstaan. Toch blijkt niet de geschiedenis haar belangrijkste preoccupatie in Uitgesproken, opgeschreven, een keuze uit haar essays (deels ook toespraken) sinds 1982. Haar aandacht richt zich vooral op de vrouwenlevens in de eeuw van de Verlichting.

De tijd van Voltaire, Hume, Rousseau, Diderot en Kant was ook de tijd waarin de vrouw volwaardig haar intrede deed in de letteren, zij het aanvankelijk via de pen van een man. Het zijn de twee grote romans van Samuel Richardson geweest, Pamela en Clarissa, die de vrouwelijke stem klank hebben gegeven in een genre - de brief - dat daar voortreffelijk bij bleek te passen. De brief is het medium van de vertrouwelijkheid. Dankzij de vele bewaardgebleven correspondenties (waarin het verschil met de verzonnen brieven van Richardson soms verrassend klein is), weten we wat er omging in al die vrouwelijke harten, die zich zo ontvankelijk toonden voor de emoties van Pamela en Clarissa.

De brief doorbreekt de discretie van het boudoir en onthult de vaak tegenstrijdige reacties waarmee het begin van de 'integratie van de vrouw' (zoals Haasse het ergens noemt) gepaard kon gaan. Het grote probleem was: de botsing van het opbloeiende sentiment met de eisen van de conventie, die voor een te grote toegeeflijkheid aan hart en zinnen geen ruimte boden. De vrouw die zich hier niets van aantrok, liep het levensgrote gevaar haar eer te verliezen, met een treurige toekomst als hoer in het vooruitzicht.

Toch waren er ook vrouwen die de conventies tartten zonder meteen elk aanzien te verliezen. Voorwaarde was wel dat ze tot de hoge aristocratie behoorden, die zich op wel meer gebieden een dubbele moraal kon veroorloven. Een sprekend voorbeeld is Charlotte Sophie Bentinck, over wie Hella Haasse eerder twee mooie literaire biografieën heeft geschreven. In een van de essays wordt haar - geenszins fortuinlijke en soms zelfs tragikomische - levenswandel afgezet tegen die van Belle van Zuylen, van wie we een glimp mogen opvangen in Schaduwbeeld of het geheim van Appeltern, Haasse's literaire biografie van Joan Derk van der Capellen.

Terwijl de eerste tamelijk ongegeneerd aan haar zinnelijkheid toegaf (zij leefde openlijk met haar minnaar, van wie zij enkele kinderen had), koos de tweede voor een behoedzamer leven, zonder kinderen en met een man voor wie zij achting en genegenheid voelde, maar geen passie. Haasse wil hierin een reactie zien op het schandaal dat Charlotte Bentinck had veroorzaakt, ook al ontbreekt het harde bewijs en lijkt de circumstantial evidence die ter vervanging wordt gepresenteerd niet helemaal overtuigend.

Het blijft natuurlijk een interessante vraag: waarom Charlotte wel en Belle niet? Een plausibeler antwoord komt - indirect - in het essay over het verblijf van James Boswell in Utrecht. De kwestie van Hollands culturele achterstand in de achttiende eeuw die daarin wordt aangesneden, werpt tegelijk licht op het verschil in gedrag tussen de van origine Duitse Charlotte en de Hollandse Belle. De burgerlijke, door calvinisme en koopmansgeest getemperde zeden, die in de Republiek niet alleen de cultuur maar ook de adel in toom hielden, verklaren de praktische terughoudendheid van Belle van Zuylen. Want in haar brieven gaf zij wel degelijk blijk van dezelfde hartstochtelijke aanleg die Charlotte Bentinck in daden had omgezet.

Voor Belle van Zuylen werd de literatuur de belangrijkste uitweg. Dat geeft, zoals Haasse betoogt, haar correspondentie een ander karakter dan die van Charlotte Bentinck. Wat voor de een slechts middel was, werd voor de ander doel in zich. Haasse knoopt aan dit verschil een beschouwing vast over de biografie en de literaire biografie, waarbij de laatste meer subjectiviteit van de kant van de biograaf zou vergen dan de eerste. Onduidelijk blijft alleen of het wezenlijke onderscheid nu ligt bij het onderwerp of bij de biograaf, want ook het feit dat de biograaf zelf een schrijver is, bepaalt volgens Haasse het verschil. Bij een schrijver mag verondersteld worden dat de neiging tot 'mee-beleven' en tot romantiseren minder makkelijk te onderdrukken zal zijn dan bij de gewone biograaf.

Hella Haasse demonstreert haar stelling ter plekke, met de hierboven genoemde poging om tussen Charlotte en Belle een inniger band te smeden dan het bronnenmateriaal toelaat. Niet anders is zij te werk gegaan in haar biografieën van Charlotte Bentinck en Joan Derk van der Capellen, hoewel zij géén echte schrijvers waren. In deze boeken wordt de grens tussen historische werkelijkheid en literaire fictie meer dan eens overschreden, zij het nooit op woeste wijze. Anders dan in haar historische romans of in een boek als Een gevaarlijke verhouding of Daal-en-Bergse brieven (een uiteraard verzonnen briefwisseling met de vrouwelijke hoofdpersoon van Laclos' Les liaisons dangereuses) weet zij haar fantasie steeds ook te beteugelen.

Hetzelfde geldt voor de meeste essays in deze bundel, die als satellieten cirkelen rond haar grote boeken over de achttiende eeuw. Evenmin waagt Haasse zich aan revolutionaire nieuwe inzichten. Zij schrijft vanuit een merkbaar respect voor de bestaande historiografie, zonder overigens haar eigen visie weg te cijferen, zoals blijkt uit de weigering om over de intieme vrouwenvriendschappen van de achttiende eeuw (die tussen Betje Wolff en Aagje Deken bijvoorbeeld) de feministische schaduw van Lesbos te laten neerdalen.

In haar vermogen tot empathie en haar kalme, effectieve verteltrant verraadt zich niettemin de romanschrijfster. In twee schitterende portretten (van stadhouder-koning Willem III en van het echtpaar Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk) verdwijnt de onmiskenbaar aanwezige eruditie zelfs volledig in het verhaal. Een vorm van creatieve dienstbaarheid, die haar in de twee essays over Vestdijk ook tot een even secure als inventieve lezer maakt.

Uit het 'avondrood' en het 'Orpheus-motief' in de poëzie van Emily Dickinson, E.A. Robinson en Gérard de Nerval laat zij in een van die essays fraai de oorsprong van Vestdijks schrijverschap ('de Ina Damman-ervaring') oprijzen. De lezers van Uitgesproken, opgeschreven kunnen er hun voordeel mee doen wanneer zij, aangestoken door de liefdevolle aandacht van Hella Haasse, opnieuw een van Vestdijks romans ter hand nemen. De meeste andere essays in de bundel hebben een minder onbaatzuchtig effect: zij nodigen uit tot het herlezen van haar eigen werk.