Een veertje op Gods adem; De visionaire muziek van Hildegard von Bingen

De twaalfde-eeuwse abdis Hildegard von Bingen had visioenen waarin ze zag hoe de kosmos in elkaar zat en reusachtige vrouwen de kerk personifiëren. Die inzichten werden haar gegeven door 'het levende licht', dat haar ook inspireerde tot haar wonderbaarlijk mooie, extatische muziek. “Zo moeten engelen zingen, want mensenstemmen kunnen dit niet.” Régine Pernoud: Hildegard van Bingen. Uitg. De Prom, 180 blz. ƒ 35,90

Etty Mulder: Hildegard, een vrouwelijk genie in de late middeleeuwen. Uitg. Ambo, ƒ 24,90.

Cd's: Sequentia: Canticles of ecstasy, BMG 05472 77320 2; Sequentia: Voice of the blood, BMG 05472 77346

Alles aan Hildegard von Bingen spreekt van een andere tijd, een tijd die ongrijpbaar ver weg is geraakt en die ook door erover te lezen of naar bouwwerken, schilderingen of gedichten te kijken niet werkelijk tot leven komt. Zoals een piramide niets onthult over het ware leven van de Egyptenaren, zo kan een kruisvaardersburcht of een miniatuur dat een visioen weergeeft ons nauwelijks dichter bij Hildegard von Bingen brengen, de abdis die van 1098 tot 1179 in Duitsland in een klooster aan de Rijn leefde. Hoe was het leven in de twaalfde eeuw, een eeuw waarin kruistochten plaatsvonden, waarin de keizer en de paus met elkaar overhoop lagen en tegenpausen hun rollen speelden, een eeuw waarin het Latijn nog een veelgebruikte taal was en waarin een heilige al snel als zodanig werd herkend? Hildegard was een heilige - niet op de manier van moeder Theresa, door veel goeds te doen, maar op de 'ouderwetse' manier: ze 'zag' dingen, had goddelijke ingevingen en visioenen, die ze te boek stelde en die haar regelrecht door 'het levende licht' zelf werden geopenbaard.

Wat staat dat ver van ons af, het hele woord 'visioen' al. Dat kan nu hooguit nog in verband met hallucinerende middelen gebruikt worden, en wat de mensen zien als ze die gebruikt hebben beschouwt niemand als goddelijke openbaring. In Hildegards tijd wel, al was het nu ook weer niet zo dat iedereen die zei de stem van God gehoord te hebben meteen op aandacht en geloof mocht rekenen. Hildegard begon omstreeks haar veertigste haar visioenen op te schrijven (daarvoor had ze ze, uit vrees voor gek of aanmatigend of allebei versleten te worden, stil gehouden) en een kopie van haar manuscript kwam, door toedoen van kerkelijke gezagsdragers, in handen van de paus die in Duitsland was voor een synode. De paus was zo onder de indruk dat hij er tijdens de synode uit voorlas aan al de daar verzamelde belangrijke mannen - vrouwen deden niet mee. Toch was Hildegard een vrouw, een schepsel dat in die tijd niet echt als een voertuig van verstand werd gezien. Ook door Hildegard zelf niet overigens, zij tornt in haar geschriften absoluut niet aan de dan geldende orde, en beklemtoont steeds weer dat ze 'ononderwezen' is, 'een veertje op de adem van God', een 'nietswaardige vrouw'. Wat we overigens in het geheel niet letterlijk hoeven te nemen, zulke zelfverkleining hoorde tot de goede omgangsvormen, zeker in kerkelijke kringen.

In de twaalfde eeuw kon zo'n nietswaardig schepseltje blijkbaar grote indruk maken en ook grote invloed uitoefenen. Er werd niet aan getwijfeld dat wat Hildegard zag inderdaad geïnspireerd was door God en dat Zijn Woord door haar bekend gemaakt werd. Degenen die haar om raad vroegen, en dat waren er niet weinig, richtten zich tot haar als tot een zieneres, alsof ze in een glazen bol kon kijken en iets over hun lot kon vertellen: 'Kuno, onwaardig abt van Disibodenberg, wenst - hoe weinig dat ook mag beduiden - zijn meesteres en geliefde moeder Hildegard van de Rupertsberg de genade Gods...Ik vraag u: mocht God over onze schutspatroon, de heilige Disibod, iets geopenbaard hebben, laat mij dat dan weten, opdat ik niet aarzel om hem daarvoor tezamen met mijn broeders te prijzen.'

Slappeling

Dezelfde paus Eugenius III die uit Hildegards boek had voorgelezen, trad daarna met haar in correspondentie, en ook zijn opvolger richtte zich tot haar: 'Wij wilden jou net als hij schrijven en verlangen naar een antwoord van jou, want wij zijn op zoek naar datgene wat God in jou heeft gewrocht, al gaan wij, zowel vanwege onze lichamelijk als onze geesteljke vermoeidheid, slechts strompelend op weg naar het goede waarnaar wij verlangen...' Deze woorden zijn afkomstig van Anastasius IV, een paus die maar anderhalf jaar lang zijn ambt heeft bekleed en die van Hildegard in haar antwoord de wind van voren krijgt - op twaalfde-eeuwse wijze dan, dat wil zeggen verhuld en met gebruikmaking van veel beeldspraak. Ze vindt hem overduidelijk een slappeling: “En waarom kap je niet de wortels van het kwaad?”

Hildegard, een meisje uit een eenvoudige familie dat al op haar achtste aan het klooster was gegeven, was onmiskenbaar een autoriteit. Dankzij de van God gegeven visioenen waardoor ze bezocht werd. Heel eigenaardige visioenen van een bolvormige menselijke figuur met twee hoofden die de hele kosmos omvatte en die in zijn kern opnieuw de mens bevatte, van het wereldei, van gevleugelde wezens en reusachtige vrouwen die 'de kerk' personifiëren, of 'de synagoge' of 'de liefde'. In haar visioenen komen heel veel vrouwen voor en ook in haar gedichten en liederen bezingt ze voornamelijk vrouwen. Hildegard leek vrouwen een stuk interessanter te vinden dan mannen. Haar boek over oorzaken en geneeswijzen van ziektes, waarin ze ook de lichaamshuishouding van de beide geslachten behandelt, besteedt veel uitgebreider aandacht aan de vrouw dan aan de man. De in de middeleeuwen gespecialiseerde kunsthistorica Etty Mulder merkt in haar boek over Hildegard (Hildegard, een vrouwelijk genie in de late middeleeuwen, 1982) zelfs op dat dat kosmische wereldei nogal veel weg heeft van een gestileerd vrouwelijk geslachtsorgaan. Dat gaat misschien ver, anderzijds is het zo dat Hildegard steeds maar weer de vrouw prijst als moeder en voortbrengster van het leven, vooral in de gedaante van Maria: 'en daarom is de hoogste zegen te vinden in de vrouwelijke vorm, boven alle andere schepsels, want God is mens geworden in een lieftallige en gezegende maagd'.

In het onlangs door uitgeverij de Prom uitgebrachte Hildegard van Bingen van de Franse mediaeviste Régine Pernoud wordt op de specifiek vrouwelijke kant van Hildegard wat minder nadruk gelegd, wellicht omdat dit boek voortdurend probeert op alles tegelijk nadruk te leggen, waardoor elke hiërarchie erin zoek geraakt is. Dat is jammer, want Pernoud weet wel het een en ander, maar ze is een warhoofd dat absoluut niet snapt welk detail op welk moment ertoe doet. Haar boek is een eigenaardige mengeling van zweverigheid (ze schrijft zonder blikken of blozen dat de hedendaagse oogheelkunde het met Hildegard eens is dat ogen genezen door naar een groen grasveld te kijken), dweepzucht, algemene geschiedenis en rommelig vertaald Latijn. Dan is Etty Mulders boek oneindig veel meer aan te raden voor wie iets over leven en werk van Hildegard wil weten.

Miniaturen

Het blijft niettemin moeilijk om zonder grondige studie de geestesgesteldheid en de spiritualiteit van de twaalfde eeuw te begrijpen, al zou je dat, Hildegards brieven lezend, naar haar miniaturen kijkend, aan haar leven denkend, wel graag willen. Onze manier van denken lijkt weinig op de vanzelfsprekende, alles tot een geheel makende denkwijze van Hildegard, en de beeldentaal uit die tijd is een echte táál, die men eerst moet leren kennen en beheersen voor de bedoelingen van een en ander duidelijk worden. Maar gelukkig schreef Hildegard ook muziek. Ze heeft beweerd dat ze geen noot kon lezen en ook nooit zangles kreeg, maar dat moet wel weer een bescheidenheidstoop zijn. Het is althans nauwelijks denkbaar dat iemand zonder enige muzikale scholing deze wonderbaarlijk mooie en veelvoudige muziek geschreven kan hebben.

Dat er een klooster bestond waar de nonnen in de kerk elke week deze muziek zongen! Hoe konden die nonnen dat trouwens, vraagt men zich af, zeker bij het luisteren naar de onwaarschijnlijk mooie uitvoeringen van het gezelschap Sequentia. Werkelijk, zo moeten engelen zingen, want mensenstemmen kunnen dit niet. Zoals mensenoren maar nauwelijks naar deze muziek kunnen luisteren.

Ooit, schreef Hildegard, zong Adam met de stem van de Levende Geest, maar door de zondeval raakte hij die kwijt. Iets van dat vermogen hebben de mensen weer teruggewonnen door muziek te schrijven en muziekinstrumenten te maken, zodat zij konden zingen 'naar gelang de verrukking van hun ziel'. Helemaal zoals het vroeger was, is het natuurlijk nooit meer geworden, en dat is maar goed ook volgens Hildegard, want 'de onvolkomen en sterfelijke mens zou nooit de kracht en welluidendheid van zijn (= Adams) stem hebben kunnen verdragen'.

Toch moet Hildegards muziek dicht bij die van Adam komen, in haar extatische ingetogenheid. Maar Adam was een man en in zijn eentje, Hildegard laat vrouwen zingen en die zingen het mooist. Daar valt niet aan te twijfelen voor wie luistert naar hoe Heather Knutson en Susanne Norin 'Nunc aperuit nobis' zingen (op de cd Canticles of ecstasy). De subtiele vervlechting van enkel- en samenzang, het opwaarts reikende, de hartverscheurende kleine neerwaartse buigingen die hun stemmen maken, het is van een adembenemende schoonheid en sterkte. Hildegard schrijft dat de mens bij bepaalde gezangen moet zuchten en steunen 'omdat hij moet denken aan de hemelse harmonie in zijn ziel'. Dat zal het zijn.

Hevige vrouw

Hoe onbegrijpelijk deze muziek in haar schoonheid dus ook is, toch brengt ze Hildegard dichterbij - zoals iemand altijd dichterbij wordt gebracht door naar iets te luisteren wat hij of zij ook heeft gehoord. En niet alleen hoorde zij deze muziek, ze schreef haar zelfs, ze ìs dat dus in zekere zin. Een hevige vrouw, er zit, ondanks alle heiligheid en onthechtheid, enorm veel leven in haar muziek. Zoals er trouwens ook veel leven in haar brieven zit en in haar openhartige verhandelingen over seksualiteit: 'Wanneer een vrouw seksuele omgang met een man heeft, ondergaat zij een gevoel van hitte, dat door de begeerte in haar hersenen wordt veroorzaakt, alsook een gevoel van genot bij deze ervaring' - een non! Hoe wist ze dat? Zo schrijft ze ook doodleuk: 'Mannen die nooit een vrouw hebben blijven even kleurloos als een dag waarop de zon niet schijnt'. Voor vrouwen vindt ze het al evenmin aanbevelenswaardig om nooit een man te hebben. Toch prijst ze de maagdelijkheid aan als weg naar God - maar het is niet verboden om een mooie maagd te zijn, haar kloosterlingen dragen feestelijk uitgedost de mis op. Hildegard weet wel zeker dat het levende licht behagen schept in schoonheid.

Dat betekent zeker ook dat ze zélf behagen schepte in schoonheid. Het is onzin om aan de oprechtheid van haar visioenen te twijfelen, maar meer dan eens blijkt dat het levende licht en zij precies hetzelfde over de dingen denken. Als Richardis, haar vriendin en helpster, in een ander klooster tot abdis wordt benoemd, protesteert Hildegard hevig tegen die scheiding en ze schroomt niet daar 'de klare bron die nooit bedriegt' bij te hulp te roepen die via haar ondubbelzinnig laat weten: 'De beweegredenen die voor de verkiezing van deze non (=Richardis) worden aangevoerd hebben bij God geen gewicht'. Ze zal vast zelf geloofd hebben dat haar onwil om van haar vriendin te scheiden te maken had met Gods tegenzin om Richardis uit Bingen te laten vertrekken, maar zoiets geeft meteen het gevaarlijke van machtige mystici aan. In vertrouwelijke onderonsjes met God richten zij de wereld naar hun eigen goeddunken in. Gelukkig was Hildegard niet zo erg machtig, noch vreselijk oorlogszuchtig. Ze was maar een eenvoudige abdis die God wilde dienen en die daartoe al haar talenten, en dat waren er niet weinig, ten volle benutte. Aan die inzet danken wij de muziek van deze raadselachtige vrouw, die zichzelf als een instrument van de goddelijke geest beschouwde, 'de bazuinklank van het levende licht'.