Een moeizame romance; Nationale Toneel speelt 'De Gids' van Botho Strauss

Voorstelling: De Gids van Botho Strauss door Het Nationale Toneel. Vertaling: Karim Ameur; regie: Judith de Rijke; decor: Tanja de Jonge; spel: Jacqueline Blom, Dries Smits. Gezien: 4/10 Theater a/h Spui Den Haag. Aldaar t/m 12/10, daarna tournee t/m 30/11. Inl: 070-3565363

Zij zou de hele nacht kunnen doordansen, hij denkt liever na op een stoel. Kristine en Martin hebben weinig gemeen, toch voelen ze zich tot elkaar aangetrokken. Ze hebben elkaar ontmoet in het Griekse Olympia waar zij met een microfoon rondleidingen geeft. Martin is een overspannen leraar die zich bezint op zijn toekomst. Hij is naar Griekenland gekomen omdat hij terug wil naar de bron: “naar waar onze ideeënwereld vandaan komt”. Kristine heeft heel andere behoeften en van het wederzijdse diepgaande begrip waar zij op hoopte is dan ook geen sprake.

Hoe zou dat ook kunnen in een stuk van Botho Strauss, de toneelschrijver die zich al sinds de jaren zeventig toelegt op verstoorde verhoudingen en een onvervuld verlangen naar liefde en genegenheid, op gebrek aan communicatie en taal die tekortschiet. In De Gids (1986) behandelt hij de moeizame romance tussen de leraar en de gids, maar daarbij is het hem niet puur om de anekdote te doen. In een reeks korte scènes die steeds kunstmatiger worden krijgen de gebeurtenissen in Olympia allengs een mythische strekking.

Het tweetal trekt elkaar aan en stoot elkaar af. De eerste bedreiging komt van buitenaf in de gedaante van Vassili, een drankzuchtige jongen met wie de vrouw eveneens een relatie blijkt te hebben. Deze stille aanwezige op de achtergrond is in de voorstelling van het Nationale Toneel een levensgrote pop waarmee ze regelmatig rondzeult. Pas als deze figuur is gestorven, lijkt er ruimte voor Kristine en Martin, maar dan staan zijzelf hun liefdesgeluk in de weg.

Ze trekken zich terug in de bergen totdat Kristine niet langer tegen het isolement kan en voorgoed vertrekt. De laatste woorden komen van de leraar als hij de geschiedenis voorleest van de god Pan, die waternimfen dacht te vangen maar achterbleef met rietstengels in zijn armen. De echo van hun stemmen deed het riet ruisen.

In de voorstelling van de jonge regisseuse Judith de Rijke strijken de ijle klanken van die echo herhaaldelijk als een zuchtje wind over het toneel. Een kort moment tekenen zich op de vloer de contouren af van een satyr, maar dan is het voorbij en staan de acteurs weer op een speelvlak van glasplaten waaronder honderden Griekse ansichtkaarten in keurige rijen zijn gerangschikt. Judith de Rijke heeft in de voorstelling de schijn van realisme zoveel mogelijk willen vermijden en gepoogd in de mise-en-scène de kloof tussen de personages zichtbaar te maken: de acteurs bewaren meestal afstand tot elkaar.

Jacqueline Blom overbrugt die kloof vaak met balletachtige bewegingen of bizarre loopjes en houdingen waarbij haar ledematen zich krommen als die van een faun. Haar nadrukkelijke stilering doet geforceerd aan en is niet in overeenstemming met het spel van Dries Smits. Hij acteert naturel en brengt daarmee de gekunstelde voorstelling enigszins in balans.