Een liberal uit Amerika slaat terug

Lawrence W. Levine: The Opening of the American Mind. Beacon press, 224 blz. ƒ 39,40

Sinds de publicatie van Allan Blooms The Closing of the American Mind (1987) woedt in de Amerikaanse media een fel debat over de vermeende teloorgang van het hoger onderwijs. Bloom signaleerde het verval van traditionele universitaire deugden als objectiviteit, waarheidszin en respect voor de westerse traditie. Sinds de jaren zestig wordt het curriculum van de Amerikaanse universiteiten volgens hem uitgehold door een wijd verbreid cultuurrelativisme en populaire anti-westerse ideologieën, aangejaagd door een harde kern van hoogleraren en docenten die aan de universiteit alsnog het revolutionaire gelijk van de jaren zestig proberen te halen. Bloom trok een parallel met de neergang van de Duitse universiteiten in de jaren dertig, onder druk van een gecorrumpeerd academisch kader en een geïdeologiseerde studentenbeweging.

Blooms cultuurpessimistische boek luidde een hausse in aan klaagzangen over de dreigende ondergang van het westerse cultuurgoed. Auteurs als Dinesh D-Souza (Illiberal Education: the Politics of Race and Sex on Campus, 1991) en Richard Bernstein (Dictatorship of Virtue, 1994) zetten zich af tegen het multiculturalisme, feminisme en relativisme die de universiteiten in hun greep zouden hebben. De academische vrijheid, aldus deze auteurs, wordt verstikt door deze giftige cocktail van anti-westerse ideologieën.

Eindelijk is er nu een weerwoord van een onvervalste 'liberal'. De historicus Lawrence Levine, hoogleraar aan het linkse bolwerk Berkeley, heeft met The Opening of the American Mind een 'anti-Bloom' geschreven, waarin hij zich keert tegen de neoconservatieve kritiek op de universiteiten. In korte historische hoofdstukken toont hij aan dat de rustieke alma mater van Bloom een romantische illusie is. Het onderwijs in Engelse en Amerikaanse literatuur werd in de negentiende eeuw met veel moeite bevochten op een academisch establishment dat zich liever hield bij de Grieks-Romeinse klassieken en bitter weinig ruimte liet voor 'academische vrijheid' van studenten. Het 'kerncurriculum' van westerse civilisatie is van nog recenter datum. Het werd eigenlijk pas helverwege deze eeuw gemeengoed, vooral op aandringen van de federale overheid. Van een pastorale universitaire gemeenschap, waar de rust in de jaren zestig wreed werd verstoord, is derhalve geen sprake. Overigens relativeert Levine ook de veronderstelde recente teloorgang van het kerncurriculum: erflaters van de cultuur als Shakespeare zijn waarschijnlijk nog nooit zo intensief bestudeerd als tegenwoordig. De uitwassen, die kritici van het 'politiek correcte denken' signaleren, zijn ook niet meer dan dat: uitwassen in een overigens vitale universitaire gemeenschap.

Zo nuttig als deze historische uiteenzetting is, zo zwak is Levine's inhoudelijke verweer tegen de kritici van het 'politiek correcte denken'. Eigenlijk komt hij niet verder dan de montere constatering dat de recente aandacht voor Afro-amerikaanse en andere multi-etnische studies aan de Amerikaanse universiteiten een culturele verrijking is, van het soort waarmee het land groot is geworden. Maar dat is meer pep talk dan argumentatie. Natuurlijk is het een verrijking als de wetenschap haar onderzoeksterrein uitbreidt tot niet-westerse culturen en de problemen van een multiculturele samenleving, zolang over de wetenschappeljke methode consensus heerst. Maar die methode staat nu juist ter discussie in de politiek-correcte kritiek op de 'westerse', of sterker nog 'blanke en mannelijke' wetenschap. Allan Blooms diagnose dat in een postmodern getint wetenschapsbedrijf het begrip van een universele 'waarheid' als regulerend idee wordt verlaten ten gunste van iets relatiefs als 'waarde' - waarover tussen culturen niet valt te twisten, terwijl natuurlijk de westerse wèl in de beklaagdenbank wordt geplaatst - valt niet te weerleggen met de opmerking dat het 'allemaal wel meevalt', hoe geruststellend die ook mag zijn.