Een gekrast wolkje als kwelgeest

Tim Gladdines: Teddiewolk. Illustraties Alice Jetten. Van Holkema en Warendorf, 48 blz. vanaf 9 jaar, ƒ 24,90

Veel kinderen hebben een tastbare steun en toeverlaat: een beer, een pop of een knuffellapje. Anderen kiezen voor iets raars. Zo ken ik iemand die als kind steevast een rubberen badmatje mee naar bed nam. Maar ook komt het voor dat kinderen een voor anderen onzichtbare kameraad hebben. Zo'n vriend is Teddiewolk, uit het gelijknamige debuut van Tim Gladdines.

De negenjarige Ingeborg schrijft een geheim dagboekschrift vol over haar vriend. Ze is een intelligent meisje met twee vlechten en een brilletje, dat veel, en zo diep als ze maar kan, nadenkt: 'Misschien bestaat Teddiewolk niet echt. Maar als ik hem zelf heb verzonnen, hoe kan ik dan bijvoorbeeld voelen dat hij me knijpt? [...] Ik denk dat Teddiewolk een soort spook is, een vriendelijk spook. Wat kan hij anders zijn?'

Op de illustraties van Alice Jetten, die kunnen doorgaan voor door Ingeborg zelf vervaardigde tekeningen van haar belevenissen met de wolk, heeft Teddiewolk inderdaad iets weg van een klein guitig geestje. De mooi 'klunzige' tekeningen bestaan uit duidelijke zwarte lijnen, maar Teddiewolk is, gekrast in rood potlood, een wat ongedefinieerde vorm met een vrolijk gezichtje. Net als de tekst geven de illustraties, in vierkante kadertjes, weer hoe Ingeborg de wereld ziet; haar moeder is bijvoorbeeld alleen van nek tot enkels te zien. Haar hoofd bevindt zich buiten het blikveld van haar dochter, en uit de tekst blijkt dan ook dat ze weinig van haar begrijpt. Ingeborgs klasgenoten blijven helemaal buiten beeld, alleen de rode wolk vergezelt haar overal.

Teddiewolk lijkt gewoon weer een kinderboek over een eenzaam kind dat op school wordt gepest en zich daarom een vriend denkt. Teddiewolk hangt meestal rood en pluizig in de lucht boven Ingeborgs hoofd, maar soms is hij hard en glimmend als een stuiterbal, of ijl als de rook van haar moeders sigaret. Het is moeilijk vat op hem te krijgen, maar dat hij een onmisbare vriend is staat voor Ingeborg vast. Hij giechelt naast haar op de achterbank als zij 'stiekem heel kleine scheetjes' laat en kruipt warm en wollig naast haar in bed. Soms zet hij haar aan tot kleine vergrijpen: 'Hij lust graag snoep, dus moest ik vanmiddag stiekem dropjes pakken uit de keukenkast.' Hij verandert in een paard, danst en speelt monstertje, doet kortom precies wat Ingeborg wil.

Aanvankelijk tenminste, want langzaamaan verliest zij haar greep op de wolk. Door zijn toedoen verdrinkt zij haar hond, die ze weliswaar haatte, maar niet echt dood wenste. Kort daarop geeft hij haar opdracht het haar van een gehate klasgenoot af te knippen, laat hij haar tralies op de muur schilderen of maakt dat ze de schuur in brand steekt. Het wattige wezen wordt een monster. 'Hoe kun je vechten met een wolk?' vraagt ze zich steeds wanhopiger af. Dan verbiedt de wolk haar te praten, tegen haar ouders en al helemaal tegen meneer Frank, de dokter die binnen de kortste keren over de vloer komt, 'voor als je ziek bent in je hoofd, zei papa.' Haar ouders lopen huilend en radeloos door het huis, maar ze mag en kan hen niets vertellen: Teddiewolk vermoordt haar als ze dat doet.

Gladdines is erin geslaagd van Teddiewolk een volkomen geloofwaardig verhaal van een negenjarige te maken, geschreven in korte, duidelijke en nergens geforceerd kinderlijke zinnen. Het is een beklemmend en verwarrend boek, dat gaat over een reeële kwelgeest, of over langzaam gek worden, of over allebei. Ingeborg zelf is er in elk geval al snel van overtuigd dat de wolk een zelfstandig wezen is, maar haar ouders slaan haar bezorgd gade en vragen dan: 'Hoe vaak bijt je in je arm?' En heel soms lijkt ze zich te vergissen: 'Teddiewolk stak mijn tong naar haar uit.' Op de laatste illustratie piekt onder de muts op Ingeborgs hoofd een piepklein rood randje vandaan.