Duivelsei en straatchampignon; Handboek voor paddestoelenjagers

Mieke van Tilburg en Hans Adema, i.s.m. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden: Vliegenzwam, elfenbank en andere paddestoelen. Uitg. Schuyt & Co, 40 blz., 50 aquarellen. Prijs ƒ 24,50

De herfst is een goeie tijd om een sporenfiguur of sporee te maken. Je plukt een verse paddestoel, snijdt de steel eraf en legt de hoed met de onderkant op een vel papier. Voor een paddestoel met een witte onderkant kun je beter donker papier gebruiken. Je zet er een kommetje overheen, zodat er geen lucht bij kan komen. Na twaalf uur haal je het kommetje weg en til je de hoed voorzichtig op. Op het papier staat nu een mooi patroon, een afdruk gevormd door miljoenen paddestoelensporen. Die sporen zijn zo klein dat je ze met het blote oog niet ziet, maar elke keer als je ademhaalt in het bos, adem je er wel duizend in.

Dit is een van de proefjes uit Vliegenzwam, elfenbank en andere paddestoelen, het handboek voor de echte paddestoelenjager. Er staan vijftig kleurenplaten in en je leert zo'n negentig verschillende soorten kennen.

Om paddestoelen te zoeken hoef je trouwens niet speciaal het bos in. Ze groeien ook middenin de stad, zelfs in drukke winkelstraten. Misschien zie je daar de straatchampignon. Die groeit, als het moet, dwars door asfalt heen en stoeptegels tilt hij gewoon op. Als het een tijdje heeft geregend, staat het gras vol met honderden piepkleine paddestoeltjes bij elkaar. Dat zijn inktzwammetjes. Ze blijven niet langer dan een paar dagen mooi, maar er komen telkens weer nieuwe. Zelfs binnenshuis kom je paddestoelen tegen. Een bakje champignons zie je vast weleens in de koelkast en misschien heb je daar een hekel aan. Nog erger wordt het als er paddestoelen op de raamkozijnen groeien. Dat is de huiszwam, die dol is op bewerkt hout. Eerst nestelt hij zich op een vochtig plekje, waar zijn sporen kunnen kiemen. Maar als de zwamvlok het eenmaal naar zijn zin heeft, maakt hij zelf het droge hout nat en op den duur groeit hij zelfs met dikke schimmeldraden dwars door betonnen muren heen, op zoek naar lekker vers hout. Dan wordt het tijd om te verhuizen, want tegen de huiszwam valt niets te doen.

Voor de èchte paddestoelenjacht moet je toch het bos in. Daar vind je duivelsei, heksenboleet en andere geheimzinnige soorten. Na een regenbui zijn ze het mooist. Op kerkhoven groeien vaak ook mooie soorten.

Voor je onderzoek neem je een opschrijfboekje mee en een potlood, want een balpen doet het niet als het regent. Je hebt ook een paar plastic bekertjes nodig met velletjes wc-papier erin om de kwetsbare paddestoelen in te pakken, een loep of vergrootglas en een zakspiegeltje waarmee je de paddestoelen aan de onderkant kunt bekijken zonder ze meteen allemaal te hoeven plukken. Sommige mensen trappen alle paddestoelen stuk, omdat ze denken dat ze giftig zijn. Dat is niet waar. Er zijn maar een enkele soorten giftig, en dan nog alleen als je ze opeet. De enige paddestoel waar je dood van kunt gaan is de groene knolamaniet. Die vind je vooral in een eikenbos en je kunt hem gewoon aanraken - maar daarna thuis wel je handen wassen.