België koestert kinderrijke gezinnen

BRUSSEL, 11 OKT. Kinderen kun je maar beter in België krijgen dan in Nederland, zeker als je van plan bent een kroostrijk gezin te stichten. De Belgische kinderbijslag is één van de hoogste van Europa. Kinderopvang, van crèche tot 'onthaalmoeder', is er ruimer voorhanden dan in Nederland.

Kinderen kunnen al met 2,5 jaar naar school. En gezinnen met ten minste drie kinderen reizen voor half geld met het openbaar vervoer en kunnen aantrekkelijke leningen afsluiten voor een woning of studie.

De verschillen in kinderen krijgen en grootbrengen in België of Nederland vallen al op tijdens de zwangerschap. In België ga je niet naar een vroedvrouw maar (meestal) naar een gynaecoloog of anders naar een huisarts. Daar krijg je een 'moederboekje', voor relevante medische gegevens (“hou het boekje altijd bij u”) en met bonnen voor het aanvragen van kraamgeld, moederschapsrust en een gratis video met informatie over zwangerschap en “prachtige beelden van de geboorte”.

Tijdens de zwangerschap worden in België minimaal drie echografieën gemaakt, ook al behoor je niet tot een risicogroep. Dus als aanstaande ouder die vast een videootje van zijn baby wil, hoef je niet zoals in Nederland naar een duur particulier bureau - 'pretecho's' worden gemaakt in het ziekenhuis. Grappig effect van die drie standaardecho's is dat Belgische ouders vaak vóór de geboorte het geslacht van hun kind kennen en dat openbaar maken. “En, wat wordt het?” vroeg de krantenverkoper mij na zes maanden. De Italiaanse conciërge hoefde niet te informeren - zij had aan de vorm van mijn buik al gezien dat het een jongen wordt.

België is veel meer gemedicaliseerd dan Nederland. Thuis bevallen komt er maar zelden voor (minder dan 1 procent). Standaard is een ziekenhuisbevalling, gevolgd door opname van vijf dagen. Het verblijf in kraamklinieken wordt overigens wel korter. Tegenwoordig is de gemiddelde opnameduur zes dagen, in 1966 was dat nog 8,8. De Belgische overheid streeft naar een verkorting tot vijf dagen tegen het jaar 2000. Met de daling van de opnameduur groeit de populariteit van organisaties voor thuiskraamzorg, zoals 'Bolle Buik' of 'De Bakermat'.

Op het gebied van kinderopvang behoort België tot de kopgroep in Europa, terwijl Nederland pas de laatste jaren zijn achterstand inhaalt. Alleen al in Vlaanderen zijn 48.500 opvangplaatsen voor kinderen, waarvan 30.000 bij gastouders ('onthaalmoeders'). In Nederland, waar kinderen anderhalf jaar later naar school kunnen gaan, zijn er 48.000 kinderdagverblijven met 74.000 tot 75.000 'kindplaatsen' en gaan 12.000 baby's, peuters en schoolkinderen tot twaalf jaar naar gastgezinnen. Hoewel er in België meer plaats is, bestaan ook hier nog wachtlijsten. Voor een plaats in een 'kribbe' (crèche) betalen Vlaamse ouders, afhankelijk van hun inkomen, 3,50 tot 32 gulden per dag.

Een discussie zoals die in Nederland werd aangewakkerd door Dorien Pessers over een te zeer op commercie en werkgelegenheid toegespitste kinderopvang, is in België al verleden tijd. Tweeverdienende ouders brengen hun kroost niet zelden vijf fulltime-dagen per week naar de kribbe. Onze buren, die beiden werken, brachten hun dochtertje vanaf tweeënhalve maand voor hele dagen naar de crèche. Sommige kinderdagverblijven zijn zelfs open van vijf uur 's ochtends tot elf uur 's avonds. Behalve de professionele opvang is in België ook de opvang door familieleden groter dan in Nederland. Van alle Vlaamse kinderen die buitenshuis worden opgevangen, gaat de helft naar grootouders en de andere helft naar kinderdagverblijven of opvanggezinnen. Voor schoolgaande kinderen is er in de vakantie een originele opvangmogelijkheid: de jeugdbewegingen als scouts en chiro die in België nog populair zijn en waar kinderen, vaak in uniform, onder leiding sporten, wandelen of knutselen. Ook gaan steeds meer kinderen in de zomervakanties naar een 'speelplein', waar ze zich onder toezicht kunnen vermaken. Een uur spelen kost er 70 cent.

Met de relatief ruime kinderopvang hangt samen dat in België meer vrouwen werken en ook meer fulltime-banen hebben dan in Nederland. Vooral in de leeftijd tussen de 25 en 29 jaar is het verschil duidelijk, zo blijkt uit een vergelijkende studie die in 1992 verscheen in het Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken. Werken in België 60 procent van de vrouwen in die leeftijdscategorie in loondienst, in Nederland maar 38 procent. Van de Belgische vrouwen werkt maar 3 procent in die leeftijdsgroep 10 uur of minder en 65 procent 30 uur of meer. Van de Nederlandse vrouwen werkt 21 procent 10 uur of minder en 32 procent 30 uur of meer.

Hoewel ze meer werken, krijgen Vlaamse vrouwen ook op jongere leeftijd kinderen, zo schreven dr. M. Corijn en dr. A.C. Liebroer afgelopen mei in het tijdschrift Demos. In Vlaanderen heeft 70 procent van de 30-jarige vrouwen al een kind en is 60 procent van de mannen vader. In Nederland is dat respectievelijk 50 en 35 procent. Dit verschil hangt volgens de onderzoekers samen met de mogelijkheden om betaalde arbeid en ouderschap te combineren, onder andere de betere formele en informele kinderopvang in Vlaanderen. “Het aanbod is groter en de opvang is beter betaalbaar”, schrijven ze. “Bovendien wonen familieleden, zoals ouders, vaak dichterbij. Daardoor is het voor Vlaamse vrouwen minder moeilijk dan voor Nederlandse om een gezin en een baan te combineren.”

Behalve de kinderopvang is ook de kinderbijslag in Belgie relatief gunstig voor ouders, vooral als ze meer kinderen hebben. Voor het eerste kind krijgen ouders 145 gulden per maand, voor het tweede 267 gulden en het derde 400 gulden. Daar bovenop komen maandelijks leeftijdstoeslagen van zo'n 50 gulden tussen zes en twaalf jaar, 77 gulden tussen twaalf en zestien jaar en 81 gulden tussen 16 en 25 jaar. Ter vergelijking: in Nederland geldt voor kinderen jonger dan zes jaar een bijdrage van 290 gulden, voor kinderen tussen de zes en twaalf jaar 353 gulden en tussen de twaalf en achttien jaar 415 gulden. Overigens is het Belgische systeem van studiefinanciering minder royaal dan het Nederlandse. Het is zeer selectief, inkomensafhankelijk en afhankelijk van de studieresultaten.

Over het relatief riante 'kindergeld' wordt in België gewaakt door de belangenorganisatie de Vlaamse Bond van Grote en Jonge Gezinnen en haar Waalse tegenhanger La Ligue des familles. De vereniging werd 75 jaar geleden, toen nog als één voor België, opgericht als Bond van Talrijke Huisgezinnen en kwam aanvankelijk op voor kroostrijke families. Om lid te worden moest een gezin aanvankelijk ten minste vier kinderen hebben. Later werd dit drie en inmiddels worden ook stellen met één kind toegelaten. Met tegenwoordig ruim 300.000 leden en prominente kopstukken als voorzitter prof.dr. Frans van Mechelen, is de Bond van Grote en Jonge Gezinnen een niet onaanzienlijke pressiegroep in België. De bond stelt zich op het standpunt dat de minimumkosten voor kinderen, zoals kleding, voeding en huisvesting, door de staat gedekt moeten worden.

Op instigatie van de bond werd in 1930 het principe van kinderbijslag ingevoerd en nog altijd werpt de vereniging zich op als vurige verdediger van het kindergeld. De bond voorziet inmiddels ook in een kinderopvangdienst, een 'ouder gezelschapsdienst' voor inwonende bejaarden, studieleningen, huwelijksleningen en gezinszegels die leden korting geven bij het winkelen. Daarnaast regelt de bond de 50 procent korting op het openbaar vervoer voor gezinnen met ten minste drie kinderen. Kroostrijke gezinnen kunnen ook terecht bij het Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen voor voordelige leningen voor het kopen, huren of verbouwen van hun woning. Daarnaast organiseert de bond tweedehandsbeurzen, daguitstappen en gezinsvakanties.

België zou België niet zijn als gezinspolitiek en kinderbijslag niet inzet waren van 'communautaire twisten'. In Vlaanderen gaan steeds meer stemmen op om de kinderbijslag, die nu valt onder de federale overheid, over te hevelen naar de gewesten. De Waalse Ligue verzet zich hiertegen en stelt juist voor om weer een federale minister van gezin aan te stellen. “Een federale minister voor familie kan niet meer”, protesteert voorzitter Van Mechelen van de Vlaamse Bond. “De bevoegdheid voor gezinsbeleid is in de jaren tachtig naar Vlaanderen en Wallonië gegaan en daar moet het blijven, want de cultuur is heel anders in de twee gemeenschappen.”

Zelfs in het protest tegen een recente aanslag op de kinderbijslag, hebben de Vlaamse en de Waalse bond elkaar niet kunnen vinden. In de Belgische begroting voor 1997, die vorige week door het Parlement werd aangenomen, is een bezuiniging doorgevoerd op het kindergeld: de maandelijkse leeftijdstoeslagen worden in de toekomst gehalveerd. “Onrechtmatige discriminatie”, aldus de Bond, die tot nu toe aanvallen op de kinderbijslag met succes had weten af te weren. “We verzetten ons niet tegen allerlei nieuwe belastingen die worden ingevoerd, zoals op een glaske bier”, zegt Van Mechelen. “Maar dat ze gezinnen met kinderen belasten, bestrijden we. Het is een beginsel dat is geraakt.” Toch denkt hij er niet aan om samen met de Waalse tegenhangers actie te ondernemen. “Als zij van hiernaast komen, schudden we ze niet weg. Maar we zoeken zelf geen samenwerking.”

De kopstukken van de Bond voor Grote en Jonge Gezinnen hebben de verlaging van de kinderbijslag al aangevallen in de media. Volgende week komen de leden in actie. De 40.000 sympathisanten die verwacht worden op 19 oktober op de viering van het 75-jarig bestaan van de bond zullen petities en protestkaarten tekenen die aan de premier overhandigd zullen worden. Ook zullen stickers worden uitgedeeld met de tekst “Handen af van ons kindergeld”. Maar ondanks het protest moet de viering in de eerste plaats een gezellige gezinsdag worden, met een volkssport- enkroegentocht, optredens van 't Kliekske en Walter en de Wiebels, een ballonwedstrijd en korting bij restaurants op vertoon van een jubileumpas.

Dit is het zesde deel van een serie over kind en economie. Eerdere afleveringen verschenen op 28 augustus, 10, 14 en 26 september en 4 oktober.