Afsluiting levert Gaza mooie straten op

Internationale hulporganisaties houden de Gazastrook min of meer overeind, die keer op keer zwaar wordt getroffen wanneer het gebied weer eens volledig van Israel wordt afgegrendeld, zoals de afgelopen weken het geval was. Gisteren werd de afsluiting enigszins versoepeld: tot de volgende keer.

GAZA, 11 OKT. “Als Israel ons niet in Gaza had opgesloten, had Gaza niet zulke mooie straten gehad.” Yehiye al-Masri (27) grijnst ironisch vanonder zijn stoffige basketbalpet. Op zijn gegroefde gezicht parelt zweet. Vroeger werkte Yehiye in Israel, in de bouw. Met de 50 dollar per dag die hij verdiende onderhield hij vrouw, vijf kinderen en zijn ouders, en betaalde hij de huur van hun twee kamers onder een zinken dak in het dorp Beit Hanoun. Twee jaar geleden, toen Israel Gaza na een serie aanslagen voor het eerst afsloot, raakte Yehiye werkloos. Sindsdien mag hij Israel niet meer in - dat mogen alleen bepaalde arbeiders boven de 35.

Soms heeft hij een klus voor een paar dagen, als sjouwer of plukker. Nu heeft hij voor het eerst een maand werk. Met 15 lotgenoten is hij bezig een zandweg in Fawayda te bestraten. In deze middenklassewijk aan de rand van Gaza-stad zakte je voorheen, naar gelang het seizoen, tot je enkels in het rulle zand of de modder. Over een week neemt een andere werkloze Yehiyes plaats in, ook voor een maand en voor 13 dollar per dag. Yehiye en zijn maten zijn namelijk in dienst van het zogenoemde Arbeidsvoorzieningsprogramma.

Hun loon en de bouwmaterialen worden betaald door landen als Zweden, Noorwegen, Amerika en Japan. Die proberen zoveel mogelijk werklozen tijdelijk werk te geven. Yehiye al-Masri heeft geen idee wat hij na volgende week gaat doen. “Ik heb twee, drie dollar per dag gespaard”, zegt hij monter, de vastigheid duidelijk ontwend. “Als dat op is, zal Allah voor m'n familie zorgen.”

De Arbeidsvoorziening, die nu 7.000 straatvegers, tomatenplukkers en stucadoors in dienst heeft, is een controversieel project. Dat blijkt deze week weer. Israel sloot Gaza en de Westelijke Jordaanoever op 25 september, de dag waarop de bloedige rellen tussen Palestijnen en Israelische soldaten begonnen, geheel af. Gaza, waar 60.000 mannen (een derde van de arbeidsbevolking) als werkloos geregistreerd staan en naar schatting nog eens 40.000 onregelmatige klusjes doen, kreeg er daardoor 17.000 werklozen bij (van wie enkele duizenden sinds gisteren weer naar hun werk in Israel mogen). Om sociale onrust te voorkomen, willen de donoren snel extra projecten in gang zetten. Zo hopen ze nog eens zo'n 3.000 Palestijnen van de straat te houden.

Maar niet alle donoren zijn het met deze werkverschaffing eens. Sommige, zoals de Europese Unie, weigeren aan de Arbeidsvoorziening deel te nemen. De EU is de grootste donor aan de Palestijnen. Zij laat ziekenhuizen en rioleringen bouwen, zet huisvuildiensten op, en gaf Arafat vorige week zelfs ruim 25 miljoen dollar, cash, voor lopende kosten. Ze gelooft dat duurzame projecten het vredesproces ondersteunen. Maar ze weigert op te draaien voor de zoveelste afsluiting waar, vindt zij, Israel verantwoordelijk voor is. Als de werklozen in opstand komen tegen Israel, redeneert Brussel, dan moet dat maar.

“Israel moet de arbeiders compenseren voor de afsluiting”, zegt ook Nabil Sharif, die het Arbeidsvoorzieningsprogramma namens de Palestijnse Economische Raad voor Ontwikkeling en Wederopbouw (PECDAR) leidt. “Maar dat doet Israel niet. Moeten we bij de pakken neer gaan zitten?” Als ergens blijkt hoezeer de donoren Gaza al twee jaar draaiend houden, is het wel in Sharifs kantoor. De meterslange kastenwand is van plint tot plafond volgestouwd met ordners. 'Wereldbank', 'Zweden', 'US-Aid', staat erop, gevolgd door een projectnummer. De stapel gaat door op de grond. Vanmiddag komen Zweedse diplomaten bij hem op bezoek. Zweden overziet het project namens de donoren. Met de lokale UNDP-chef erbij gaan zij een lijst maken van arbeidsintensieve projecten die direct kunnen beginnen. “Mijn zorg is niet dat de werklozen tegen Israel in opstand komen”, zegt Sharif. “Wel dat ze tegen Arafat in opstand komen.”

In twee jaar tijd heeft hij met die argumentatie 56 miljoen dollar weten te incasseren. Alleen in tijden van crisis. “De donoren worden genereus als er een ramp dreigt. Zodra er weer een paar arbeiders Israel indruppelen, houdt het op.” Vandaar dat Gaza steeds mooier wordt naarmate het vaker van de buitenwereld wordt afgesloten. Er zijn acht grote parken gebouwd met bankjes, fonteinen, glijbanen en feestverlichting. De straten worden in ijltempo verhard, niet met uit Israel geïmporteerd asfalt, maar met roze en grijze tegels in allerlei patronen, die in Gaza zelf worden gemaakt. Een voor een worden ministeries opnieuw in de verf gestoken en van marmeren bordessen voorzien. Overal zijn arbeiders bezig in sleuven langs de weg de oude telefoon- en elektriciteitsdraden te vervangen. Alle projecten zijn zichtbaar voor iedereen, met opzet. “Dat is goed voor het moreel”, vindt Nabil Sharif. “Dan houden de mensen, ondanks alles, misschien het idee dat het vredesproces nog iets oplevert.”

De Arbeidsvoorziening begon met de actie 'Clean Up Gaza', vlak nadat Arafat hier in 1994 zijn intrek had genomen. Vele honderden Palestijnen, betaald door de Japanse regering, schrobden bij toerbeurt de intifadah-graffiti weg en haalden 250.000 ton vuil van straat. Omdat het met de hand gebeurde, niet met machines, verschafte de actie 200.000 dagen werk. Toen kwamen de eerste zelfmoordacties. En de eerste afsluiting.

Said id-Dedda, die net als stratenmaker Yehiye al-Masri 27 is en vijf kinderen heeft, herinnert zich dat nog goed. Dat was de dag dat hem de toegang tot Israel werd ontzegd. Vijf jaar had hij er voor een boer gewerkt. Hij schreef zich in bij het Palestijnse ministerie van Arbeid. Maar er was geen werk. Hij hoefde zijn uitgaven niet drastisch te snoeien. Hij had een paar duizend dollar gespaard, en “Palestijnen leven simpel”.

Steeds als de Arbeidsvoorziening een project had, kozen de organisatoren een aantal geregistreerde werklozen van de lijst van het ministerie, en hingen de namen in overheidsgebouwen. Said en zijn vrienden gingen vaak kijken. Omdat bepaalde mensen de neiging hadden een naam door te strepen en hun eigen naam in te vullen, hangen die lijsten nu achter glas. En er staan opzichters bij.

Na een half jaar werd Said voor een bouwproject ingezet. Voor een maand. Maar hij had geluk. De Arbeidsvoorziening had een permanente opzichter nodig, en nam hem in dienst. Maar van mensen als Said zijn er maar weinig nodig, natuurlijk. Vrijwel alle arbeiders worden na een maand weggestuurd. “Ze huilen, smeken, schelden”, zegt een aannemer die vaak projecten voor het programma uitvoert. “Laatst lag er een vier dagen bij mij thuis op de stoep.” In het kantoor van Nabil Sharif loopt om die reden zelfs een politie-agent rond.

Sharif maakt zijn favoriete tekening. Op een vel papier tekent hij een grote X. De lijn omhoog is de bevolkingsexplosie: in 2015 is het aantal Gazanen waarschijnlijk verdubbeld tot twee miljoen. De lijn omlaag staat voor het tekort aan banen, water en scholen. “Kortom”, zegt hij, “mensen die zeggen dat tijdelijk werk niets oplost, hebben gelijk. Er is maar één oplossing voor de werkloosheid in Gaza, en dat is dat alle arbeiders weer terug kunnen naar Israel en de Golf. Maar zolang dat niet gebeurt, heb ik liever een stoplap dan niets.”