Westerschelde wordt verlost van wrakken

In de Westerschelde is een begin gemaakt met het opruimen van scheepswrakken. Een langdurig, kostbaar en soms ook gevaarlijk karwei dat de haven van Antwerpen beter toegankelijk moet maken.

VLISSINGEN, 10 OKT. Er hangt een middelzware nevel boven de monding van de Westerschelde als een drijvende bok ter hoogte van Cadzand zijn grijper in het water laat zakken. Op de bodem, circa vijftien meter diep, ligt het wrak van de Fort Maisonneuve, een Brits koopvaardijschip dat hier eind 1944 op een Duitse mijn liep en in drie stukken brak. De resten moeten worden geborgen, maar als de grijper weer boven komt, blijkt er voornamelijk modder in te zitten.

Jammer voor de toeschouwers die het karwei vanaf omringende vaartuigjes volgen, want ze hadden tenminste een hap oud ijzer verwacht. Toch valt aan de juiste locatie niet te twijfelen: een nabijgelegen bak bevat al een flinke hoeveelheid schroot, die eerder deze week naar boven werd gehaald.

Het gaat om een proefberging, uitgevoerd door een Nederlandse en Vlaamse aannemer, ter voorbereiding van een reeks soortgelijke operaties die de zeearm van scheepswrakken en andere obstakels moet verlossen. Dat gebeurt in het kader van de Westerscheldeverdieping, die berust op een verdrag tussen Nederland en het Vlaamse gewest om de haven van Antwerpen beter toegankelijk te maken voor de scheepvaart. Diverse zanddrempels die nu nog bij laag water de doorvaart versperren, worden weggegraven, maar eerst moeten de wrakken verdwijnen.

Aan boord van de sleepboot De Zeeleeuw vertelt P. van der Vlies van Rijkswaterstaat dat er op de bodem tussen de Scheldemonding en deBelgische grens alleen al twintig volwaardige zeeschepen in de weg liggen, het oudste daterend van 1898. Zijn wrakkenregister vermeldt verder nog zeventig andere obstakels, meest binnnenvaartschepen, containers die bij storm te water raakten en blokken beton. Naar zijn schatting zal het vier tot zes jaar duren voordat ze allemaal zijn opgeruimd.

Vroeger liet men de wrakken liggen, nadat de marine de hoge delen, in het bijzonder mast en dekhuis, onder water met torpedo's van de romp had geschoten. Die onderdelen liggen sindsdien in de buurt van de romp, als ze tenminste niet door de stroom zijn verplaatst, en ze moeten, net als de rest, naar de vaste wal in Vlissingen. Van der Vlies: “Het gebeurt ook wel dat een wrak in de bodem is weggezakt, maar er is nu apparatuur beschikbaar om in het zandpakket te kijken. Zoiets als een metaaldetector, zodat men de resten toch kan lokaliseren.”

De Fort Maisonneuve, die nu alseerste aan bod komt, verging op 15 december 1944, toen deze vrachtvaarder van Canadese makelij met een lading munitie, andere legerspullen, meel, medicamenten en serviesgoed op weg was naar Antwerpen. Van der Vlies: “Het was een van die geallieerde schepen die op oorlogskwaliteit waren gebouwd, dus niet bestemd voor langdurig gebruik. Ze maakten meestal maar één reis, elke volgende was meegenomen.”

Zeeland was toen al bevrijd, maar in de monding van de Westerschelde scholen nog geduchte gevaren. De Duitsers voerden hier aanvallen uit met éénpersoons onderzeeboten en vanuit IJmuiden werden nog regelmatig mijnen gelegd. Zo'n mijn is de Fort Maisonneuve noodlottig geworden. Van de ruim veertig bemanningsleden, Engelsen en Laskaren (uit Brits Indië), zijn er vier omgekomen. De anderen konden door passerende schepen worden opgepikt en zijn rechtstreeks of via Terneuzen naar Engeland teruggebracht.

Omdat de Fort Maisonneuve munitie, bestaande uit ontstekers en kruit in afzonderlijke verpakking, aan boord had, gaat de berging met extra veiligheidsmaatregelen gepaard. Vanaf afgelopen maandag geldt het Zeeuwsvlaamse strand, enkele kilometers van het wrak verwijderd, als een soort spergebied. Rode of groene vlaggen bij duinovergangen maken de komende maanden duidelijk wanneer het water van de Noordzee al dan niet verboden is voor zwemmers, zeilers en surfers.

“Normaal kan een kruitlading niet spontaan ontploffen”, zegt M. Valks, duikmeester bij de marine, “maar omdat het spul zolang onder water heeft gelegen, wordt geen enkel risico genomen. Stel dat de zaak explodeert, dan kunnen vooral mensen in het water schade oplopen, een nierbeschadiging bijvoorbeeld, omdat een schokgolf via water veel krachtiger is dan door de lucht. En dat komt weer doordat water zich nauwelijks laat samenpersen.”

Het verwijderen van alle obstakels zal naar schatting 150 miljoen gulden kosten, terwijl het totale programma op 500 miljoen is begroot. Daarvan betaalt het Vlaamse gewest verreweg het grootste deel, omdat een diepere vaargeul vooral een Vlaams belang is.

Nederland draagt circa tien procent van de kosten, omdat ook de havens van Vlissingen en Terneuzen baat hebben bij het baggerwerk.

Verdieping van de Westerschelde was jarenlang een twistappel tussen Nederland en België totdat in 1995 het verdrag met Vlaanderen tot stand kwam. De uitvoering daarvan stagneerde echter al spoedig door een uitspraak van de Raad van State, die oordeelde dat een vergunning op grond van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren niet toereikend was. Daarop heeft de Nederlandse regering een aanvullend wetje ontworpen om deze klip te omzeilen, maar het betrokken voorstel moet de Tweede en Eerste Kamer nog passeren. Het ruimen van scheepswrakken valt echter buiten die kwestie, zodat er geen juridisch beletsel was om daarmee te beginnen.