'Vuile oorlog' treft blanken als boemerang

In Angola is begin deze week de voormalige Zuid-Afrikaanse spion Craig Williamson gearresteerd. Vorige maand werd hij door Zuid-Afrika's beruchtste beul, Eugene de Kock, voor de Waarheids- en Verzoeningscommissie in Pretoria genoemd als brein achter de moord op de Zweedse premier Olof Palme in 1986. Allengs tekent zich, aldus Allister Sparks, een schokkend beeld af van de vuile oorlog die het apartheidsregime in binnen- en buitenland voerde tegen de aanhang van het ANC.

Quasi-achteloos liet de gebogen figuur in zijn lichtblauwe pak zich zijn sensationele uitspraak ontvallen. De grootste moordenaar van het vroegere Zuid-Afrikaanse regime, schuldig bevonden aan 89 gevallen van moord, fraude en samenzwering, bevond zich in de slotfase van zijn ruim anderhalf jaar durende proces en getuigde voor zijn rechters in de hoop op strafvermindering. Opeens vermeldde hij, terloops, dat een collega van hem verantwoordelijk was voor de moord in 1986 op de Zweedse premier Olof Palme.

Wereldwijd vulde het nieuws de voorpagina's. Als het waar was, zou het de grofste enormiteit zijn op de lange lijst euveldaden van het apartheidsregime.

Zuid-Afrika was van meet af aan verdacht geweest, vanwege Palme's hartstochtelijke steun aan het Afrikaans Nationaal Congres. Maar bewijsmateriaal was nooit gevonden. En nu kwam hier de eerste beul van het apartheidsregime, politiekolonel Eugene de Kock, in de nadagen van zijn lange proces eigener beweging met het nieuws dat een bentgenoot van hem, Craig Williamson, het brein achter de moord op de Zweede premier was geweest.

“Waarom vertelt u dat nu pas?”, vroeg de verbijsterde rechter Willem van der Merwe.

“Het kwam niet bij me op”, antwoordde De Kock nonchalant, alsof een moord een moord was en men niet van iemand kon verwachten dat hij ze zich allemaal herinnerde.

Maar terwijl het nieuws elders in de wereld grote beroering wekte, sorteerde het in Zuid-Afrika zelf maar weinig effect. Het land maakt een vreemd apathische indruk tegenover de meest schokkende onthullingen die met de regelmaat van de klok worden gedaan in een reeks processen en hoorzittingen van de Waarheids- en Verzoenings-Commissie, te zamen de best mogelijke benadering van de Neurenberg-processen die het Zuid-Afrika van na de aparheid in huis heeft. Het lijkt wel alsof de blanken het niet willen weten, terwijl de zwarten het allang wisten.

Maar naarmate meer stukjes van de puzzel uit diverse richtingen bijeenkomen, tekent zich wel degelijk een schokkend beeld af van de vuile oorlog die het apartheidsregime in binnen- en buitenland voerde tegen de aanhang van het ANC.

Zo blijkt het geweld van 'zwart tegen zwart' waarover zoveel te doen was en dat de provincie KwaZulu-Natal teisterde in de aanloop tot de democratische verkiezingen van 1994, grotendeels is veroorzaakt door de blanke ordetroepen, die leden van Chief Mangosutho Buthelezi's Inkatha Vrijheidspartij trainden, bewapenden en assisteerden bij het uitvoeren van moordaanslagen op ANC-aanhangers. Eugene de Kock geeft toe dat hij bij deze operatie een sleutelrol heeft gespeeld.

Ook heeft De Kock erkend in de loop van de jaren tachtig de hoofdkantoren van zowel de Zuid-Afrikaanse Raad van Kerken en het Congres van Zuid-Afrikaanse Vakbonden COSATU te hebben opgeblazen, alsook het ANC-hoofdkwartier in Londen.

Het blijft overigens mogelijk dat De Kock liegt. Dat heeft hij eerder gedaan, schaamteloos en met succes. Zijn getuigenis klinkt echter authentiek. Zijn schuld is bewezen en hij heeft weinig te winnen bij nieuw bedrog. Hij probeert alleen nog de ernst van zijn schuld te verminderen door aan te tonen dat hij maar een klein radertje in een reusachtig apparaat was. Er is geen reden daaraan te twijfelen.

Bovendien heerst er een veelbetekenend stilzwijgen aan de kant van degenen die De Kock heeft genoemd als zijn opdrachtgevers, van ex-president P.W. Botha en leden van diens kabinet tot een hele reeks generaals bij leger en politie.

De sfeer bij dit proces in Pretoria heeft iets surrealistisch. Een gedecoreerde Afrikaner patriot, voorvechter van wat naar zijn overtuiging een oorlog voor het vaderland was, staat terecht voor een rechter die Afrikaner is, en twee assessoren, beiden Afrikaner, terwijl ook de verdediger en de aanklager Afrikaners zijn.

Het hele proces wordt in het Afrikaans gevoerd. Het is een voorstelling met een cast van louter blanke Afrikaners, opgevoerd in opdracht van het nieuwe, zwarte bewind - en de enige aanwezige zwarten zijn familieleden van de slachtoffers op de publieke tribune.

De Kock zelf, nu 47 jaar, lijkt nauwelijks op de Rambo-figuur waarvoor hij ooit doorging. Net als James Bond had hij de bevoegdheid mensen te doden, wat hij met graagte deed. Hij zit al zijn hele volwassen leven in moordzaken. In de jaren '60 begon hij als lid van een Zuid-Afrikaanse politie-eenheid, die naar Rhodesië werd gestuurd om Ian Smith te helpen in zijn strijd tegen de guerrillastrijders van Robert Mugabe.

Daarna liet De Kock zich overplaatsen naar Namibië, waar hij 300 keer slag leverde met de Swapo-strijders, en toen naar Agola waar hij dat nog eens 60 keer deed. Hij was commandant van de beruchte politie-eenheid 'Koevoet', die grotendeels bestond uit overgelopen Angolese vrijheidsstrijders en bekend stond om haar massale gruweldaden tegen burgers. Hij leerde er nog iets anders, iets dat hij tot zijn gedragscode zou maken: “Je schiet als eerste of je eindigt als tweede”, zoals hij tegen de rechtbank zei.

Na een ruzie met zijn commandant vertrok De Kock medio 1985 bij Koevoet om terug te keren naar Pretoria, waar hij het bevel kreeg over een speciale eenheid met de codenaam C-10, die tot taak had geheime operaties tegen 'staatsvijanden' (lees: ANC-aanhangers) uit te voeren.

Zijn eerste opdracht was de moord op een vooraanstaande ANC-activist, Zwelimanzi Nyanda, broer van de huidige chef-staf van de Zuid-Afrikaanse Nationale Defensiemacht, luitenant-generaal Siphiwe Nyanda.

C-10 was gelegerd in Vlakplaas, een boerderij bij Pretoria. Hier leidden De Kock en zijn mannen askari's, overgelopen ANC-strijders, op tot zeer bedreven, meedogenloze moordenaars. In de acht jaar die volgden, doodden zij tientallen mensen: De Kock zei niet te weten hoeveel precies. Politieofficieren uit het hele land belden hem op en gaven hem de namen van mensen die ze wilden laten “opruimen”.

De Kock werd onderscheiden met de zilveren politie-medaille voor betoonde moed. Toen landelijk politiecommissaris generaal Johan Coetzee hem de medaille opspeldde tijdens een geheime ceremonie, grapte hij: “Ik weet niet of ik u wel de hand kan schudden waar zoveel bloed aan kleeft.”

De boog op Vlakplaas was overigens niet altijd gespannen. De Kock vertelde van grote braaivleis-partijen (barbecues), vooral op vrijdagavonden, wanneer men de poorten opengooide voor hoge gasten, en de Chivas Regal rijkelijk vloeide. “Het ontbrak ons aan niets op Vlakplaas”, snoefde hij - alles werd betaald uit een geheime pot. Soms eindigden de feesten in balorigheid, zoals de keer dat een C-10-man een kostbare truck een afgrond in reed.

In de stroom verhalen over moord, liederlijkheid en vertier dook met regelmaat een thema op dat vragen opriep over de mogelijke verwijtbaarheid van niet alleen voormalige hooggeplaatsten, maar ook een aantal lieden die ook in het nieuwe Zuid-Afrika een prominente politieke rol spelen, zoals ex-president F.W. de Klerk en chief Buthelezi, die nu minister van binnenlandse zaken is in het coalitiekabinet van Nelson Mandela.

De Kock vertelde hoe hij en andere C-10-officieren ten tijde van de apartheid leden van Buthelezi's Intaktha Vrijheids Partij hadden getraind in moordeskader-methoden in een geheim kamp nabij Ulundi, de hoofdstad van Buthelezi's Zoeloe-'thuisland'. Hij noemde een serie Inkatha-leiders die bij de training hadden geholpen.

Dit was klaarblijkelijk de wordingsgeschiedenis van de zogeheten Derde Macht waarop Nelson Mandela zinspeelde tijdens de zwarte burgeroorlog die vóór de verkiezingen van 1994 het Zoeloe-volk teisterde en meer dan 20.000 mensenlevens heeft geëist.

President De Klerk ontkende destijds in alle toonaarden Mandela's bewering over vuil spel. De vraag is thans: wist de blanke Zuid-Afrikaanse winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede hiervan? “Het is ondenkbaar dat hij het niet geweten heeft”, zei De Kock met klem tegen zijn rechters. “Al mijn orders kwamen vanaf de top.”

En Buthelezi? Dat hij er niet nauw bij betrokken was, lijkt nog ondenkbaarder. De Kock, die zegt ooit lid van Inkatha te zijn geweest, heeft Buthelezi niet rechtstreeks beschuldigd, maar de onthullingen worden langzamerhand een gebed zonder end.

Het getuigenis van De Kock zal nieuwe processen noodzakelijk maken, en als zijn eigen proces ten einde is, zal hij opnieuw getuigen voor de Waarheidscommissie, die hij om kwijtschelding van straf heeft verzocht in ruil voor volledige openheid van zaken over alles wat hij weet. Hij wekt de indruk nog meer sensationele feiten achter de hand te houden om de commissie te imponeren - en daarbij zouden heel wel nieuwe feiten omtrent de moord op Olof Palme kunnen zijn.