Vereniging bestrijdt amateurisme in restauratie; Herstellen met een keurmerk

Tot voor kort mengden beunhazen zich onopgemerkt tussen de professionele restauratoren van kunst en antiek, met soms rampzalige gevolgen voor het cultureel erfgoed. Ter bescherming en erkenning van het métier richtten de vaklieden de Belangen Vereniging Restauratoren Nederland op. Ook streeft de 'VeRes' naar meer begrip tussen de museumconservator en de restaurator. Portret van een beroepsgroep bij de manifestatie Restoration 96.

In het restauratie-atelier hangt de sfeer van een privékliniek waar de patiënten zorgvuldig in de watten worden gelegd. De witte doktersjas van Elizabet Nijhoff Asser, eigenaresse van de werkplaats waar boeken, papier en leer tegen verval worden behoed, draagt aan die indruk bij. Ze legt een kussen op tafel, waarop ze voorzichtig de beschadigde perkamenten band van een Blaeu-atlas uit de zeventiende eeuw vleit. Dan slaat ze de atlas open. Tussen de rafelige pagina's steken papiertjes die de scheuren en vouwen in het verweerde papier aangeven. Langs de randen van het boek hangen als verbandgaas flarden flinterdun papier: daar is de restaurator bezig de zwakke plekken te versterken.

Elders in het atelier wacht een boek volledig ingezwachteld op herstel. Andere boeken hervinden hun vorm door de erop geplaatste kussentjes met lood. In de spoelbak wordt een gravure opgebleekt. Aan de wand hangen kwasten en penselen in alle soorten en maten, waarmee vederlicht langs het oude, verzuurde papier kan worden gestreken. “Mensen hebben vaak geen idee hoe slecht hun oude boekwerk of prent er aan toe is”, zegt Nijhoff Asser. “Neem nu deze atlas. Mijn opdrachtgever vroeg of ik de rug wilde herstellen. Verder was er niets mis mee, dacht hij. Tot ik hem op de kopervraat in de atlas wees, veroorzaakt door het koperresinaat in de groene verf. Het papier wordt op die plaatsen gewoon weggevreten. Op een gegeven moment is het zo bros, dat de pagina scheurt of breekt zodra je die omslaat.”

De enige manier om kopervraat en verzuring te stoppen, is het impregneren van het materiaal met een 'buffer' - magnesium-oxyde in dit geval, aangebracht met een speciale spuitinstallatie. Een dure behandeling, die geen zichtbaar effect achterlaat maar de conditie van het handgeschepte papier aanzienlijk verbetert. “Hierbij moet een klant in vertrouwen afgaan op de deskundigheid van de restaurator”, zegt Nijhoff Asser. Dat dat niet vanzelf spreekt, heeft te maken met het recente verleden. Tot voor kort mengden de beunhazen zich in dit vak onopgemerkt tussen de vaklieden, met soms rampzalige gevolgen.

Om het métier te beschermen en tot erkenning ervan te komen, besloot een aantal professionele restauratoren in 1992 een vereniging op te richten: de Belangen Vereniging Restauratoren Nederland (VeRes). De omstreden restauratie van Who's afraid of Red, Yellow and Blue III van Barnett Newman, een jaar eerder, was het publieke bewijs dat een beroepscode nodig was. De Amerikaanse restaurator Daniel Goldreyer had het aan flarden gesneden schilderij gerepareerd en aan het Stedelijk Museum geretourneerd nadat hij op het oorspronkelijk gepenseelde doek met een roller rode synthetische verf had aangebracht. Volgens een aantal deskundigen was het kunstwerk hierdoor tot een waardeloos vod gereduceerd. Goldreyers overschildering was niet duidelijk beargumenteerd of gedocumenteerd en kon daardoor - nog afgezien van het gebruikte materiaal - niet ongedaan worden gemaakt. In de ogen van VeRes heeft Goldreyer alle elementaire regels van de restauratie-ethiek geschonden.

Ook particulieren kunnen het slachtoffer worden van zulke onethische of amateuristische praktijken. Omdat het beroep van restaurator - nog - niet beschermd is, mag iedereen die een beetje handig kan beitelen, knippen, plakken en tekenen zich zo noemen. Met als gevolg dat een beschadigd schilderij soms als nieuw bij zijn eigenaar terugkeert, maar toch, op het eerste gezicht onzichtbaar, blijkt te zijn verminkt: van een molen in het vergezicht die in de plaats kwam van de toren die er eerst stond tot en met een vernislaag die een half jaar later van het doek springt. Om beunhazerij in elke discipline te voorkomen, vertegenwoordigt VeRes restauratoren van alle materialen en technieken: meubelen en hout, papier en boeken, schilderijen, textiel, keramiek, glas en steen, wetenschappelijke instrumenten en metaal, uurwerken, lijsten en scheepsmodellen.

In de jaren vijftig, toen alles gloednieuw moest zijn en oude spullen bij het grof vuil werden gezet, ging veel verloren dat door restauratie behouden had kunnen blijven. In de jaren zestig groeide de waardering voor gebruikte meubelen, nagemaakt meubilair werd door wie het zich kon permitteren vervangen door authentiek antiek. En wie toch iets 'ouds' nieuw kocht, hechtte hoge waarde aan het bijgeleverde patina: roest, vlekken, of deuken. 'Doet u mij maar een patiëntje voor een paar tientjes', schampert VeRes-lid Annemarie van Benthem-Doppegieter. De massaproduktie had intussen het faillissement van veel ambachtslieden veroorzaakt. En daarmee waren ook de gedegen opleidings- en stageplaatsen bij meubelmakers en -reparateurs verdwenen.

Om de verwaarlozing van kunst en antiek een halt toe te roepen begon in 1978 het toenmalige ministerie WVC een opleiding voor restauratoren. Nadat in 1990 het Deltaplan voor het Cultuurbehoud werd geïntroduceerd om het achterstallige onderhoud in de museum-depots weg te werken, werd de roep om restauratoren nog luider. Omdat daarnaast de vraag naar echt antiek bleef groeien, vestigden velen zich in die jaren als restaurator dan wel 'restaurateur'. Onder hen bevonden zich behalve beunhazen en vaklui ook lijstenmakers, boekbinders en antiquairs die de fijne kneepjes van het restauratievak niet altijd beheersten. Een van de eerste maatregelen van de VeRes was het taboe-verklaren van het epitheton 'restaurateur', om de verwarring met restauranthouders te voorkomen.

De vereniging streeft ernaar het vak de status te geven die het toekomt. De echte restauratoren zijn allang niet meer de ambachtslieden van vroeger, maar gespecialiseerde vakmensen die kennis hebben van chemische verouderingsprocessen en de natuurwetenschappelijke gevolgen van expositie, transport of berging. Ze adviseren de conservator of kunsthistoricus die een tentoonstelling samenstelt, maar ook de expositie-inrichter die bijvoorbeeld moet weten hoeveel licht de objecten kunnen verdragen - of de behoudsmedewerker die verantwoordelijk is voor de omstandigheden in de depots.

De erkenning van het belang van hun functie laat volgens een aantal restauratoren in musea wel eens te wensen over. Sommige conservatoren beschouwen de toenemende inspraak van de restaurator als lastige bemoeizucht. Maar meestal trekt de restaurator aan het langste eind: het is heel eenvoudig aan te tonen dat bruikleen of expositie een object schaadt. Van oudsher kijken conservatoren enigszins neer op restauratoren, die een niet-academisch ambacht uitoefenden dat vaak van generatie op generatie werd doorgegeven.

Die houding is niet langer terecht, vindt Elizabet Nijhoff Asser, mede-oprichter van VeRes: “Een conservator kan veel hebben aan ons werk. Hij houdt zich bezig met de inhoud, wij met de vorm. Maar het materiaalgebruik en de technieken bevatten informatie die van belang is voor de historische betekenis van een object.” In het boek Zo goed als oud pleit kunsthistoricus Nicole Ex dan ook voor een open dialoog en meer begrip tussen conservator en restaurator, waarbij opwaardering van de laatste beroepsgroep onvermijdelijk zou zijn.

Het niet erkend zijn, de vloedgolf van nieuwe ontwikkelingen en de brede antiek-trend hebben het werkterrein van de restaurator onoverzichtelijker gemaakt. Naast de in het oog springende 'correcties' van originelen zijn er ontelbaar veel ingrepen die een leek niet snel zal zien. Als een object al verscheidene restauraties heeft ondergaan, rijst de vraag of deze gehandhaafd moeten blijven of dat het voorwerp totaal 'ontrestaureerd' moet worden. Restauratie is een kwestie van interpretatie geworden, een continu keuzeproces dat gewetensvol dient te worden afgehandeld. De ethische code van VeRes, die elk lid moet ondertekenen, is daarom bedoeld als leidraad voor alle betrokkenen: restaurator èn opdrachtgever. 'Eerbiediging van de integriteit van het voorwerp' luidt een van de eerste plichten. Nijhoff Asser legt uit: “Het gaat om de manier waarop we met het verleden omgaan. Tegenwoordig willen we dat wetenschappelijk doen. De code zegt: behoud zoveel mogelijk authentiek materiaal, verstoor zo min mogelijk en wanneer je dat doet, gebruik dan reversibel materiaal, zodat het weer ongedaan kan worden gemaakt.”

Iedere discipline vult de ethische code in naar de mogelijkheden van voorwerp en materiaal. De papier- en boekenrestaurator kan bijvoorbeeld niet meer terugkeren naar de oorspronkelijke staat van een boekwerk. Een meubelrestaurator kan in dat opzicht meer. Restaurator Annemarie van Benthem volgde haar opleiding hout- en meubelrestauratie in Italië. “Daar staat restaureren gelijk aan vervalsen”, zegt ze. “Er wordt lang niet zo ingetogen gewerkt als in Nederland.” Zolang de argumentatie maar duidelijk is, kan de restaurator veel kanten uit, zegt Van Benthem. “Ik laat de eigenaar altijd zien wat er vanaf het ontstaan van het object tot nu is gebeurd. Als iemand een meubel heeft met drie originele poten en één houten blokje, dan kan er bij dat blokje een verhaal horen waardoor je ervoor kiest om het eraan te laten zitten. Aan de andere kant kan de opdrachtgever juist een hekel aan het meubel krijgen door dat ellendige blokje. Dus dan redeneer je dat er drie pootjes zijn die het voorbeeld geven en maken we er nog een bij in dezelfde houtsoort.”

Een VeRes-lid heeft zich verplicht om al zijn verrichtingen te documenteren, mede omwille van de omkeerbaarheid van het werk. Al was het maar omdat de meesten beseffen dat hun werk niet vrij van trends is. Dat er tegenwoordig zo wetenschappelijk verantwoord mogelijk wordt gerestaureerd, wil immers niet zeggen dat het de enige methode is. Wie weet wordt over honderd jaar wel gekozen voor de meest esthetische oplossing. Nijhoff Asser: “Behalve respect voor de maker moet je volgens mij ook respect voor de tijd hebben. Ik vind before dikwijls veel mooier dan after. Ik ben gewoon dol op schade. Als restaurator mag je in ieder geval nooit doen alsof je het beter weet en iets toevoegen waarvan je denkt dat het er ooit zo heeft gestaan.”

In totaal telt de VeRes 340 leden, naar schatting iets meer dan de helft van de bonafide restauratoren in Nederland. Opvallend is dat de toeloop van restauratoren van schilderijen, de oudste discipline, pas sinds kort op gang komt. “Terwijl juist daar een groot gat gaapt tussen geschoolde en niet-geschoolde mensen”, weet Nijhoff Asser.

Voor leden geldt een soort ballotage achteraf: je kunt lid worden als je vier jaar full-time werkervaring als restaurator hebt. Deze extra voorwaarde verklaart bijvoorbeeld het geringe aantal uurwerkrestauratoren (vijf tegenover ruim tachtig in de sector hout). Er zijn er ongetwijfeld meer, maar dat zijn over het algemeen mensen die hoofdzakelijk uurwerken verkopen. En als handel het hoofdinkomen vormt, vindt VeRes dat een restauratie al snel dubieus kan uitpakken. Aspirant-leden volgen één van de erkende opleidingen in Nederland of in het buitenland - of hebben die gevolgd.

Dat de vereniging al enige status bezit, blijkt uit de vele verzoeken om de ledenlijst. Er is zelfs al sprake van misbruik: zo adverteerde enige tijd geleden een antiquair met zijn VeRes-lidmaatschap, gebaseerd op het gegeven dat een van de leden freelance voor hem werkte. Het lidmaatschap is echter niet overdraagbaar: elk lid draagt persoonlijk de verantwoording voor de naleving van de ethische code.

Wie die code schendt, kan in het ergste geval door het bestuur van de vereniging worden geroyeerd, wat in het kleine restauratoren-wereldje niet onopgemerkt blijft. Belangrijk is dat de klachtencommissie ook kan worden ingeschakeld wanneer een VeRes-lid en een opdrachtgever het niet eens worden.

De vraag wat iets waard is, zal een restaurator niet snel beantwoorden. Hij kan wel een zinnig advies geven bij de vraag of een eventuele restauratie in verhouding staat tot de waarde van het stuk. Daarbij doet het er niets toe of een object een dag of een paar eeuwen oud is. Zo nam de papierrestaurator een twee dagen oud werk van Penck onder handen dat bij de drukker was beschadigd en beschouwde de houtrestaurator het herstel van een recent vervaardigde stoel van Arne Jacobsen eveneens als een restauratie.

“Je moet je klant wel ter afweging geven of het een restauratie waard is wanneer je het voorwerp ook nog nieuw kunt kopen”, zegt Nijhoff Asser. “Emotioneel kan iemand dan toch voor restauratie kiezen, zelfs al is het financieel onvoordeliger. Dan doe ik dat uiteraard zo zorgvuldig mogelijk. Want als er één ding tijdens de opleiding wordt ingehamerd, dan is het wel dat je alleen maar iets te maken hebt met het te restaureren object en niets met de geldelijke waarde ervan. Oude Donald Ducks dien ik met het zelfde respect te behandelen als een Rembrandt.”