'Tijd is rijp voor kritiek op beheer joods geld'; F. Ensel, voorzitter Joods Maatschappelijk Werk

AMSTERDAM, 10 OKT. De tijd is rijp om publiekelijk de balans op te maken van de fouten die gerespecteerde maatschappelijke instellingen gemaakt kunnen hebben bij het beheer van de bezittingen van joodse oorlogsslachtoffers en overlevenden.

“Dingen die tot voor kort niet konden worden uitgesproken, kunnen nu wel worden gezegd. Je kunt nu zeggen dat Zwitserse banken misschien niet in alle opzichten netjes zijn omgesprongen met joodse tegoeden. Zoals je nu ook kunt zeggen dat sommige notarissen in Nederland zich niet helemaal aan de regels hebben gehouden”, zegt F. Ensel.

De 50-jarige Ensel beleeft als voorzitter van de stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) turbulente tijden. JMW is verwikkeld in een rel met de Koninklijke Notariële Broederschap (KNB) over joodse uitkeringsgelden, die notarissen nog in beheer hebben. De Nederlandse regering wil - naar vanmorgen bekend werd - 75.000 ton goud, dat in de Tweede Wereldoorlog is geroofd, opeisen bij de Zwitserse regering. “Een wijs besluit. De joodse organisaties, waaronder JMW, kijken nu of zij in de Zwitserse kwestie nog een belang hebben”, is het voorzichtige commentaar van Ensel. Zijn kamer is door een glazen wand afgescheiden van de rest van een bankkantoor in Amsterdam-zuid, waar Ensel zetelt als districtsdirecteur. “Als bankier heb ik internationaal veel notarissen meegemaakt en ik heb de Nederlandse notarissen daardoor als beroepsgroep heel hoog zitten”, begint Ensel: “Bij sommige notarissen is echter nog geld aanwezig dat eenvoudig toebehoort aan de joodse gemeenschap.” De joodse stichting en de broederschap hebben inmiddels afgesproken om volgende donderdag te praten.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft Duitsland de joodse gemeenschap in Nederland 360 miljoen mark uitbetaald als vergoeding voor materiële en immateriële schade. Dat geld kwam terecht bij notarissen, die moesten zorgen dat het geld werd overgeboekt naar joodse slachtoffers of hun nabestaanden. De joodse stichting Jokos speelde een belangrijke rol bij het indienen van de ruim 90.000 claims en kreeg eind jaren zestig bij Koninklijk Besluit het beheer over een groot deel van de niet-uitgekeerde gelden.

Jokos werd in 1973 geliquideerd en JMW meent op grond van de statuten die beheersrechten te hebben overgenomen. De stichting wordt in die opvatting gesteund door de emeritus-hoogleraar prof. dr. I. Lipschits, van wiens hand volgend jaar een JMW-jubileumboek verschijnt. De notariële broederschap meent echter over onvoldoende stukken te beschikken om een algemene oproep aan de notarissen te kunnen doen om de gelden over te maken aan JMW.

Waarom heeft de broederschap de gevraagde aanvullende documenten nooit ontvangen?

“De broederschap heeft op 24 april 1994 gevraagd om documenten, die voor een groot deel betrekking hebben op de geschiedenis. Lipschits heeft die in het archief ook gevonden en heeft alles vastgelegd in een brief van 10 juli 1994. De broederschap zegt die brief nooit te hebben gekregen en ik kan er mijn hand niet voor in het vuur steken, dat die brief wél is verstuurd. Ik vind alleen, dat je een overleg over zoiets belangrijks nooit kunt laten afspringen op een wel of niet verzonden brief.”

Ensel vindt dat de broederschap een voorbeeld moet nemen aan de Nederlandse overheid, die in de jaren tachtig de Consignatie-kas liquideerde. In deze kas zat een deel van de nooit opgevraagde gelden, vooral doordat de rechthebbenden zijn overleden. “De gelden zouden eerst geheel aan de staat vervallen, maar de joodse organisaties hebben Ruding (de toenmalige minister van Financiën, KB) er toen van kunnen overtuigen dat het voor het merendeel om joods geld ging. Uiteindelijk heeft de joodse gemeenschap toen twee miljoen gulden ontvangen, heel netjes. In het licht hiervan vind ik de houding van de notarissen over het wat de Zwitsers noemen nachrichtloses Vermögen niet erg fijngevoelig. Bovendien bestaat het risico dat het geld uiteindelijk alsnog in een consignatie-kas komt”, zegt Ensel.

Weet u om hoeveel geld het gaat?

“Nee. Ik weet alleen dat we geregeld worden gebeld door notarissen met de vraag: we hebben hier nog uitkeringsgelden, wat doen we ermee?”

Heeft u behoefte aan een enquête onder notarissen om uit te zoeken hoeveel geld er is en of alle oorlogsboedels geheel zijn afgewerkt?

“Mijn indruk is dat de afwerking in het algemeen goed is gedaan. Ik vraag me wel af waarom notarissen nooit een openbare verantwoording hebben gepubliceerd in de trant van: zoveel geld hebben we gekregen, zoveel hebben we uitgekeerd, en voor dit geld hebben we nooit rechthebbenden kunnen traceren, hier heb je het terug. Iedere accountant en burger zou dit normaal hebben gevonden.”

Hoe komt het dat deze zaak plotseling speelt?

“Nou, de stichting JMW is al jaren met deze zaak bezig. Dat de zaak nu zoveel publieke aandacht trekt heeft denk ik te maken met de doorbraak die in Zwitserland is bereikt. De heftige reactie van de broederschap op ons standpunt, de overreactie eigenlijk, zou ook wel eens kunnen samenhangen met de Zwitserse kwestie.”

Zwitserland zal het legendarische bankgeheim binnenkort tijdelijk opheffen ten behoeve van een internationaal onderzoek naar de oorlogbuit van de nazi's: goud dat is geroofd uit centrale banken, uit concentratiekampen en uit joods bezit. De onderzoekscommissie, geleid door de vermaarde Amerikaanse oud-bankier Volcker, is tot stand gekomen onder druk van het Joodse Wereld Congres met steun van de Verenigde Staten.

Waardoor is de doorbraak in Zwitserland nu pas mogelijk gebleken?

“Het is nu pas na mogelijk om de emoties publiekelijk te uiten. De oorlog is nu meer dan vijftig jaar voorbij en dat geeft het gevoel dat het zo lang geleden is. Dat gevoel bestond nog niet toen het einde van de oorlog nog 48 jaar geleden was, of 25 jaar. In het huidige tijdsbeeld bestaat ruimte om dingen hardop te zeggen over de blaam die op zichzelf zeer respectabele instellingen treft, zo er sprake is van blaam.”