Staak verbranden van afvalhout

In afvalland is een vreemde 'branchevervaging' aan het ontstaan. Terwijl de Nederlandse afvalovens allerlei kunstgrepen moeten uithalen om aan voldoende afval te komen, gaan tegelijkertijd ook cementovens en elektriciteitscentrales afval verbranden.

Het bijstoken van afval in energiecentrales is een internationale trend, zo bleek onlangs op een symposium van Greenpeace en de Stichting Afval en Milieu. Zo staan er in Wallonië vier cementovens, die onder andere uit Nederland aangevoerd afval verbranden. En omgekeerd wordt in ons land - ter verbranding in de cementoven bij Maastricht - op grote schaal afval uit andere Europese landen ingevoerd. In de elektriciteitscentrale in Amsterdam wordt zuiveringsslib verbrand; in de EPON-centrale in Nijmegen afvalhout.

Voordeel daarvan is, dat afval op deze manier energie oplevert, betogen de voorstanders. Maar hoe zit het met de gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu?

Het grootste project in Nederland op dit gebied is het hierboven al gememoreerde houtstookproject in de kolencentrale in Nijmegen. Doelstelling van het project dat 'uniek in de wereld' wordt genoemd, is het jaarlijks bijstoken van 60.000 ton deels zwaar verontreinigd afvalhout.

In veel beschouwingen over houtverbranding wordt geheel voorbijgegaan aan het dioxinenprobleem. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het artikel 'Stroom van hout', dat onlangs in het katern 'Wetenschap & Onderwijs' van deze krant verscheen.

Het is een bekend feit dat bij houtverbranding dioxinen vrijkomen. Dat geldt in dit geval temeer, daar het hier gaat om afvalhout. Immers, in de in het hout aanwezige impregneermiddelen zitten tal van chloorverbindingen, zoals pentachloorfenol.

In een elektriciteitscentrale wordt het hout verbrand bij een temperatuur tussen de 1400 en 1800 graden Celsius. Daardoor wordt weliswaar in eerste instantie voorkomen dat dioxinen gevormd worden. Echter, in de afkoelingsfase ontstaan ze vervolgens alsnog. Het eveneens in geïmpregneerd hout aanwezige koper bevordert dat ontstaan van dioxinen nog eens extra. In Nijmegen mogen onder andere geverfd, gelakt, gelijmd en geïmpregneerd hout verbrand worden, evenals onderwaterhout en spoorbielzen.

Een tweede, onderschat probleem dat daarbij optreedt, betreft het vrijkomen van zware metalen. De EPON-centrale beschikt niet over natte gaswassers, waarmee rookgassen adequaat gereinigd kunnen worden van zware metalen. Sommige vormen van geïmpregneerd hout (wolmanzouten) bevatten zoveel kankerverwekkende zware metalen als chroom VI en arseen, dat ze als gevaarlijk afval beschouwd moeten worden. Dat schreef de toenmalige minister van VROM, Alders, al in 1990 in een notitie aan de Tweede Kamer.

Bovendien heeft de volksvertegenwoordiging al in 1991 Kamerbreed een motie aangenomen die beoogde dat er met spoed een eind zou komen aan de toepassing van arseenhoudende wolmanzouten. De regering heeft die motie echter vreemd genoeg nog steeds niet uitgevoerd.

Het houtskoolproject wordt een 'milieuproject' genoemd. De CO-uitstoot van de centrale zou erdoor teruggedrongen worden omdat het verbranden van het hout deels in de plaats komt van kolenverbranding. Tegenover dat mogelijke voordeel voor het milieu staan echter, zoals we zagen, belangrijke nadelen. Het project is in de eerste plaats financieel aantrekkelijk voor alle betrokken marktpartijen. De exploitant van de energiecentrale hoeft minder kolen in te kopen. Het afvalhout wordt gratis aangeleverd.

Maar ook voor de leverancier van het hout (BFI) gaat het om een profijtelijke transactie. Door het recent in werking getreden stortverbod voor brandbaar afval moet normaal gesproken het hout aangeboden worden aan een afvaloven, tegen zeer hoge kosten.

De elektriciteitscentrales hebben de afgelopen jaren een veel betere mogelijkheid om de CO-uitstoot te reduceren doelbewust 'afgekocht': het stimuleren van warmtekrachtkoppeling ligt nu bijna stil. Tal van bedrijven wilden zelf hun eigen elektriciteit opwekken. Dat 'dreigde' zo'n groot succes te worden, dat daarmee de centrales hun marktpositie in gevaar zagen komen.

Kortom, afval wordt steeds vaker bijgestookt in cementovens en elektriciteitscentrales om bedrijfseconomische redenen. Het milieuargument dient slechts als façade om dat te verhullen.