PSYCHOFARMACA

Tot in de jaren vijftig zijn psychiatrische aandoeningen niet of nauwelijks effectief met medicamenten te behandelen geweest. Dat kwam pas in de jaren zestig, toen artsen met succes begonnen allerlei angsten en fobieën te bestrijden met zogeheten benzodiazepinen. Die stoffen hebben een kalmerend effect, terwijl ze de patiënt niet suf maken. Dat is een groot voordeel ten opzichte van de barbituraten, middelen die sinds het begin van deze eeuw werden gebruikt.

Neuroleptica, een vinding uit de jaren vijftig, hebben een anti-schizofrene werking en worden wel gezien als de belangrijkste doorbraak in de medische behandeling van psychiatrische ziektebeelden. Ze hebben de afgelopen decennia miljoenen patiënten de mogelijkheid geboden een menswaardig bestaan te leiden.

Ook de medicamenten tegen depressie - het belangrijkste ziektebeeld binnen de psychiatrie - hebben de afgelopen dertig jaar een duidelijke opmars gemaakt. De eerste anti-depressiva waren de zogeheten MAO-remmers. Die beperkten de invloed van een enzym dat op zijn beurt een aantal belangrijke boodschapperstoffen (neurotransmitters: moleculen die voor de stoffelijke communicatie tussen zenuwcellen zorgen) afbreekt. Door toedoen van deze MAO-remmers loopt de concentratie van deze neurotransmitters dus op, wat een anti-depressieve werking heeft. Deze familie van stoffen heeft aan belang ingeboet door de introductie van de 'tricyclische antidepressiva'. Deze stoffen verhogen de effectieve concentraties van de boodschapperstoffen noradrenaline, dopamine en serotonine en zouden aldus een stemmingsverbeterende werking hebben.

Aan het eind van de jaren tachtig zijn de zogeheten SSRI's op de markt gekomen, de selective serotonine re-uptake inhibitors. Deze stoffen, die merknamen als Prozac en Seroxat dragen, remmen de heropname van serotonine. Deze stof speelt een belangrijke rol bij het bepalen van iemands stemming. Het teveel aan uitgescheiden serotonine in de ruimte tussen twee zenuwcellen wordt gewoonlijk opgenomen door de cel waar de boodschapperstof vandaan komt. De SSRI's blokkeren deze heropname met een andere stof, waardoor de concentratie serotonine in de synaps hoog blijft. De aanwezigheid van het serotonine blijkt het humeur te verbeteren.

Tegenwoordig is een twintigtal van dergelijke heropname-receptoren bekend. Ook het blokkeren van die heropname-receptoren met specifieke stoffen is geen probleem meer. Nu doet zich de eigenaardige situatie voor dat er potentiële geneesmiddelen op de plank liggen waarbij nog een ziektebeeld moet worden gezocht.