'Murder one', een tussenstand

Niet bekend

Mijn verwachtingen waren hooggespannen, omdat de maker, Steven Bochco, een groot vakman is die eerder tekende voor successen als Hill Street Blues en NYPD Blue. Nog voordat de serie in Nederland begon, kreeg ik al enthousiaste brieven van lezers die mij met klem adviseerden te kijken. “Ik begrijp eigenlijk niet dat u de serie al niet op de BBC heeft gevolgd”, schreef iemand mij bedekt verwijtend.

Kortom, aan Murder one viel na al deze lof niet meer te ontkomen. Het is dan ook met grote schroom en tegenzin dat ik moet bekennen vooralsnog niet onder de indruk te zijn. De serie begon sterk. Een bizarre moord met perverse ('kinky' zeg je tegenwoordig op z'n Nederlands) kanten op het 15-jarige meisje Jessica Costello, dat in een wereld van foute zakenlieden en minstens zo foute tv-figuren leefde. De uiterst succesvolle advocaat Ted Hoffman - een soort Piet Doedens, maar dan iets kaler - moet de van de moord verdachte filmster Neil Avedon verdedigen.

In Amerika begonnen de kijkcijfers van Murder one na de eerste afleveringen al snel terug te lopen. Ook de NCRV scoort er maar zeer bescheiden mee: ruim 200.000 kijkers. Ik kan dat wel begrijpen. Na de eerste twee afleveringen - goed spel, flitsende dialogen - had ik nog goede hoop, maar inmiddels begin ik ernstig te twijfelen of het verstandig is nog achttien uur van mijn leven aan deze soap-thriller te wijden.

Mijn makke is dat ik het steeds minder goed kan volgen. Er wordt in elke aflevering zóveel overhoop gehaald dat je je soms verbijsterd afvraagt wie wie is en wát wie ook weer precies in zijn schild voerde. Daar worden in mijn huiskamer soms verbitterde debatten over gevoerd.

“Blaloch? Wie is Blaloch ook weer?”

“Dat is toch die vent die met dat zusje van Jessica...”

“Welnee! Je bent in de war met Gary Blondo.”

“Nee...Gary Blondo is de rechercheur van Hoffman.”

“Hoe kom je daar nou bij? Die is net overhoop geschoten!”

Als je een paar van zulke gedachtenwisselingen moet voeren tijdens één aflevering, raak je nog veel verder achterop, want op de buis laten Ted Hoffman en zijn medewerkers geen minuut ongebruikt om de raadsels te vergroten.

Murder one lijdt onder de Amerikaanse filmziekte van de subplot. Eén verhaallijn is niet voldoende, er moet in elke aflevering ook nog het verhaal van een andere zaak - die niets heeft uit te staan met het kernverhaal - worden afgewikkeld. Doodmoe word je ervan. Je wilt weten wie die arme Jessica heeft vermoord, en daarmee basta. In Amerika zijn ze met de subplots in Murder one begonnen nadat de eerste kijkcijfers tegenvielen. Het heeft niet geholpen, en terecht.

Liever had ik een uitdieping gezien van de karakters en hun omgeving. Hoe gaat het bijvoorbeeld met Hoffmans huwelijk? We vingen er een veelbelovende glimp van op, maar daarbij bleef het. Zijn vrouw verweet hem scherp dat hij het voor allerlei verderfelijke proleten opnam.

Er waren nóg enkele interessante dialogen over het advocatenvak. Op zeker moment betrapt Hoffman enkele van zijn assistenten op een ethische discussie, nadat ze een rijke fraudeur hebben vrij gekregen. “Je moet als advocaat nooit spijt hebben”, zegt Hoffman (Daniel Benzali) dan met die Brando-als-Godfather-stem. “Je moet je niet beschouwen als het ethische middelpunt van de wereld. Ik verdedig Neil. Ik weet niet of hij het gedaan heeft, en het interesseert me ook niet. Als je nog eens last van je geweten krijgt, verdedig dan gratis een arme sloeber. Het licht van het kantoor mag daarvoor best wat langer aanblijven.”

In een latere aflevering zei Hoffman opeens: “Er zijn maar weinig advocaten die volkomen integer zijn.” Sindsdien schijnen de kijkcijfers in kringen van de Nederlandse advocatuur dramatisch gedaald te zijn. Ik zet nog even door, al voel ik me soms als de drenkeling die op zijn lekke vlotje steeds verder afdrijft van de reddingsboot.