Kolossen van Chinees porselein tussen koeien, schapen, stille heides en een wild computer-tapijt; Weer schone salons in een groter Museum Mesdag

Zaterdag opent staatssecretaris Aad Nuis van OCenW een 'nieuw' Museum Mesdag in Den Haag. Het woonhuis van de Haagse zeeschilder en diens museum zijn nu samengetrokken. 'Werken is genot' vond H.W. Mesdag. Collectioneren viel ook onder zijn genietingen.

Museum Mesdag, Laan van Meerdervoort 7, Den Haag. Open: di. t/m zo. 12-17 uur. Tot 1/12/96 gratis toegankelijk. Catalogus verschijnt in november: ƒ 95, (tot 1/1/97), daarna ƒ 135,-.

DEN HAAG, 10 OKT. “Als ik somber was ging ik hier vaak naartoe”, vertelt een Hagenaar. “Geen sterveling te zien. Alleen de suppoost klaagde nog wel eens over de stilte, de aftakeling van de verzameling en over het ontslag dat hem te wachten stond.” Inderdaad, een jaar of vijf geleden leek Museum Mesdag in Den Haag ten dode opgeschreven. Er meldden zich nog Fransen, op zoek naar die 'nuages nordiques' uit de reisgids. En verder kwam er een enkele Zweed of Hagenaar langs, die troost zocht in dat wat aan stemmige schilderkunst definitief tot het verleden behoort.

Vanaf morgen zal alles anders zijn. Museum Mesdag, gebouwd in 1887 en op loopafstand van het gelijknamige, 120 meter brede strand- en zeepanorama, is uitgebreid met het naburige woonhuis van zijn oprichter, de gefortuneerde, Groningse bankierszoon en zeeschilder H.W. Mesdag (1831-1915) en diens vrouw Sien Mesdag-Van Houten. Gebouwen en collectie, nu onder beheer van het Van Gogh Museum in Amsterdam, hebben voor 5,75 miljoen gulden een opknapbeurt gekregen. De museumvertrekken herstelden zich in hun 19de-eeuwse grandeur, maar de tuin moet zijn best nog even doen. Van alle 'moderniseringen', tl-buizen en linoleum, is niets meer over, en dat laatste geldt helaas ook voor het authentieke woonhuis-interieur.

Een hoge, glazen gevel fungeert nu als entrée en verbindt het voormalige woonhuis met de drie museumetages. In zo'n veertien kleine kamers en kabinetten is wat eigen werk, maar bovenal de privé-collectie van Mesdag ondergebracht. Die verzameling, in 1903 aan de staat geschonken, omvat 350 tekeningen en schilderijen van de Haagse School en 19de-eeuwse Franse meesters van het realisme en de latere School van Barbizon, en ook nog 500 stuks Rozenburg-aardewerk en aziatica, zoals kolossale vazen van brons en porselein, aangekocht toen Europeanen bij antiekhandelaren jacht maakten op alles wat naar Japonisme zweemde.

Via een zakelijke ontvangstruimte begint de route in het voormalige atelier van Sien Mesdag-Van Houten, die eveneens schilderde en verzamelde. Misschien verwacht een enkeling hier de 19de-eeuwse somberte van fluwelen gordijnen, de knussigheid van veel meubelen en snuisterijen. Niets daarvan. Een kolossaal raam samen met een paar ezels en geornamenteerde stoelen moeten ons in de sfeer brengen van Mesdags eigen atelier, vroeger omhuld in groen-blauwe gobelins van bosrijke vergezichten en gevogelte. Vanuit dat raam kon de schilder peinzen over de tuin en het duin, dat nu allang door een muur aan het oog wordt onttrokken.

Het portret dat zijn vrouw schilderde, en dat in het atelier vlakbij nostalgische modelscheepjes hangt, vertelt meteen dat men Mesdag geen knollen voor citroenen moest verkopen: Een corpulente, stug ogende heer, met een groot, vlezig hoofd en een grijze baard. Zijn ogen zagen méér dan hun omvang doet vermoeden. 'De zee is van mijn', beweerde hij, en vermoedelijk was dat geen grap.

Nadat hij en zijn vrouw door erfenissen in goede doen waren geraakt, sloofde de beroemde Parijse kunsthandel Goupil zich uit om hun favoriete meesters naar Den Haag over te brengen. Als Mesdag zijn eigen werk verhandelde hield hij onverbiddelijk vast aan zijn prijs. Graag of niet, dus. En wilde burgers het Mesdag-bezit bezichtigen, de zanderige herfstlandschappen van Corot of Daubigny, de Hollandse binnenhuis-taferelen van Matthijs Maris, een stille heide van Anton Mauve - allen vertelden hoe indrukwekkend 'het gewone' eigenlijk was - dan was er een afspraak te maken voor de zondagmorgen. Met Mesdag viel niet te sollen, zoveel is zeker. 'Werken is genot' en 'Kunst is godesdienst' vond hij.

De vraag blijft of het museum in deze smetteloze staat de eigenaar zou bevallen. In kamers, gangen en trappenhuis is het houtwerk bruin, turkoois- of olijfgroen gekwast, museumkleuren waar men destijds al mee vertrouwd was. Kreeg de begane grond een zacht-oranje of goudkleurige wandbedekking, op de bovenste etage, onder de daklichten, is een onbestemd paars behang met Frans lelie-achtig motief aangebracht, dat een zolderachtig effect geeft.

De lambrizeringen zijn steeds afgewerkt met een verguld randje, nog te nieuw om mooi gevonden te worden, en op de meeste vloeren liggen weer Perzische tapijten. De vitrines op de gang kregen hun kunstnijverheid terug, zoals een enkel boeddhistisch bronsje, aziatisch vaatwerk en de keramische stukken die de sierkunstenaar Th.A.C. Colenbrander bij Mesdag zo geliefd maakten.

In de volle, 19de-eeuwse salons hangt nu weer het Franse tussen het Haagse, het kleine naast het zeer grote: een steegje van Israels, waar geduldig de was wordt opgehangen, naast het forse, Franse portret van een edel, maar dood hert, dat met een achterpoot in een val terecht is gekomen. Zelden ontmoet men zoveel schapen en koeien die tegen de nog lege horizon bij zonsondergang elkaars vacht opzoeken, zoveel verlaten vlaktes in maanlicht en zoveel bootjes die onder onzeker gesternte voortdobberen. Zelden ook ziet men de kindersmoeltjes van de Italiaan Antonio Mancini - te zoet om waar te zijn -, of werken van diens landgenoot Monticelli, die van een bergpad een zeeëngte maakte waar het spookte als om Kaap Hoorn bij windkracht tien.

Vincent van Gogh was vreemdgenoeg dol op die Monticelli; misschien trok hem de mateloze nervositeit aan waarmee zand en steen door wat verfveegjes in dynamiet veranderden. Op een van de museum-overlopen is trouwens een mooie vergelijking te trekken tussen een zee van Mesdag en dat wat moet doorgaan voor een zee, geschilderd door C.F. Daubigny. Diens groengrauwe golven lijken op gekruld helmgras, terwijl het bij Mesdag niet veel scheelt of men hoort het brullend neerzijgen van dat eeuwig aanrollende zeewater.

Voor het meest curieuze kunstwerk dat het Museum Mesdag biedt, moet men direct na de ingang even linksaf slaan. Daar ligt het nooit eerder gerealiseerde tapijt Vissen naar ontwerp van Colenbrander uit begin deze eeuw. Een abstracte symmetrie in wilde kleuren en vervloeiende vormen die de verbeelding toelaat - alsof deze wilde compositie pas vorige maand uit een ingenieuze computer is gerold.