Kasten met een verhaal van Piet Hein Eek; 'Ik ontwerp terwijl ik op de tram wacht'

Piet Hein Eek verwierf faam met zijn kasten van sloophout. En al strekt zijn werkterrein zich inmiddels uit van Hema tot MoMA, als Eek weer eens een oude deur vindt bouwt hij er tussen de bedrijven door nog graag een kast omheen. Het Stedelijk Museum in Amsterdam toont een overzicht van die 'deurkasten'

'Deurkasten' van Piet Hein Eek. T/m 10 nov in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Inl. 020-5732911

Het hart van Piet Hein Eek (29) begint sneller te kloppen wanneer hij slooppand nadert. Wat anderen bestempelen als 'afval' of 'rommel' is voor Eek het begin van iets moois, iets nieuws. Voor zijn eindexamen aan de Akademie voor Industriële vormgeving in Eindhoven maakte hij kasten van sloophout, die drie jaar geleden werden bekroond op de Internationale Meubelbeurs in Utrecht. Voor de kasten die het Stedelijk Museum in Amsterdam nu exposeert, ging hij op zoek naar oude, afgedankte deuren, deurtjes en ramen. Om die deuren heen - de een keurig gelakt, de ander juist recent met een verfstripper bewerkt - maakte Eek nieuwe kasten. Hij doopte ze toepasselijk 'deurkasten'.

“Ik ga altijd oude gebouwen in”, zegt Eek. “Verder ga ik langs de sloop, handelaren en dumperijen. En soms vind ik natuurlijk ook gewoon dingen langs de kant van de straat.” De namen van zijn kasten verwijzen steeds naar de vindplaats of de herkomst van de kastdeur. Zo is er een Kerkraamkast, een Koelceldeurkast en een Gestichtskast. De deur van de laatste is inderdaad uit een gesticht afkomstig, bevestigt Eek. “Er zit gewapend glas in, omdat de gekken anders zouden kunnen ontsnappen.”

Aan elke kast zit wel een verhaal vast. De branddeurkast bijvoorbeeld kreeg hij bijna op zijn kop, toen die dreigde te kantelen. “Die deur is zo zwaar. Normaal zit er natuurlijk ook een heel huis aan vast.” In de treinsteldeurkast valt geen Nederlandse trein te herkennen. “Ik was in Praag op een rangeerterrein”, vertelt Eek. “Daar stond een trein waar niet veel meer van over was. Die twee raampjes hingen er aan. Of ik in zo'n geval toestemming vraag om spullen mee te nemen? In dit geval viel er niet veel te vragen. Maar soms is het wel spannend. Als ik in een slooppand ben dat wordt bewaakt, bijvoorbeeld. Grote problemen heb ik trouwens nog nooit gehad. Het gaat meestal niet om materiaal dat kapitalen waard is. Daarom voel ik me ook nooit zo bezwaard.”

De kasten zijn unica. Alleen de Philipskast - de deuren zijn afkomstig van oude kasten van Philips, bestemd voor meetkundige apparatuur - wordt in serie gemaakt. Eek: “Ik had genoeg oude deurtjes om acht kasten van te maken. Maar de vraag bleek groter te zijn. Toen hebben we maar besloten die deurtjes zelf na te gaan maken.”

“Overwerk”, noemt Eek de deurkasten. “Ik heb ze tussen de bedrijven door gemaakt.” De meeste tijd is hij namelijk kwijt aan het werken in opdracht: het inrichten van winkels, kantoren en recent een school en het ontwerpen van stoelen, tafels, kasten die wel in serie worden gemaakt. Vorig jaar kreeg Eek de eervolle opdracht tafels en stoelen te maken voor de kantine van het Museum of Modern Art in New York.

Eek gebruikt alle mogelijke materialen: hout, metaal, glas, beton. “Je hebt mensen die herkenbaar zijn omdat ze bijvoorbeeld overal krullen aan maken”, zegt hij. “Maar ik wil niet herkenbaar zijn op zo'n stilistische manier. Als ik met dat sloophout door was gegaan, dan had ik nu bekend gestaan als 'Sloophouten Pietje'. Ik heb erg m'n best gedaan om daarmee te stoppen. Je ziet veel te vaak dat mensen almaar doorgaan met datgene waarmee ze beroemd zijn geworden. Dat is natuurlijk verleidelijk, maar het is ook het begin van pure armoede.”

Samen met compagnon Nob Ruijgrok leidt Eek een bedrijf met zes werknemers. Voor een vormgever heeft hij meer belangstelling voor de commerciële aspecten van het vak dan gebruikelijk. “Het lijkt me verschrikkelijk om, zoals sommige succesvolle designers dat doen, de hele dag alleen maar te ontwerpen”, zegt Eek, die ook met regelmaat woorden als 'productgroepen' en 'winstmarges' in de mond neemt. “Je moet een naam hebben waar je een image aan kunt koppelen”, is zijn overtuiging. “Mijn image is dat ik extreem verschillende dingen doe. Ik sta nu in het Stedelijk Museum, maar ondertussen ben ik ook bezig een aantal producten te ontwikkelen voor de Hema.”

Voor het warenhuis maakt Eek stoelen en tafels van gietaluminium en plastic accessoires, die in grote aantallen geproduceerd gaan worden. Eek beschouwt het als een compliment dat de Hema hem daarvoor heeft benaderd. “Als je ergens veel van verkoopt, heb je het goed gedaan”, vindt hij. “Al maak ik ook dingen waarvan ik hoop dat er niet meer dan tien van worden verkocht, omdat ik er zelf ziek van word.”

Het werk van Eek kenmerkt zich, zegt hij zelf, door “een zekere vanzelfsprekendheid”. Er liggen geen ingewikkelde filosofieën aan zijn ontwerpen ten grondslag, zoals bij veel designers het geval is. “Ik vind een deur en ik bouw er een kast omheen. Iedereen die de kast ziet, begrijpt hoe het creatieve proces in zijn werk is gegaan.”

Bijna gelijktijdig met de opening van de expositie in het Stedelijk Museum voltooide Eek twee weken geleden een project dat weer heel anders van aard is. Door de Woningbouwvereniging Ons Huis werd hij gevraagd 'iets' te doen met de buitenkant van een nieuw gebouw in de Amsterdamse Cremerbuurt. “Het moest geen kunstwerk aan de muur worden, zoals men dat vroeger maakte”, zegt Eek. “Maar ik wilde ook niet dat het zou lijken alsof de architect het had kunnen doen.” Hij koos ervoor de entrees van het gebouw onder handen te nemen. Iedere deur, ieder portaal heeft een eigen karakter gekregen. Voor de ene ingang gebruikte Eek blank hout, voor de ander staal. Er zijn deuren van koper en er zijn deuren 'Amsterdams groen' geverfd. “Dit project is een beetje terug naar af”, meent Eek. “Vroeger zei de entree van een huis iets over de persoonlijkheid van de bewoners. In een boekje over de Amsterdamse school las ik het zo: 'Mensen woonden achter hun eigen deur.' Tegenwoordig is het allemaal eenheidsworst. Ik hoop dat dit project een aanzet is om meer panden te verrijken.”

Vraag is of Piet Hein Eek zich nog wel vormgever voelt, of dat hij eigenlijk meer kunstenaar is. “De kasten in het Stedelijk heb ik allemaal voor mezelf gemaakt”, antwoordt hij. “In die zin kun je wel over kunst praten. Het is autonoom. Maar ik zou niet willen kiezen tussen de twee disciplines. Ontwerpen is ook heel leuk. Ik ontwerp een kast terwijl ik op de tram sta te wachten. Ik zou wel wat meer tijd willen hebben om te schilderen. Dat doe ik ook graag, maar het komt er weinig van. Wat ik ook wel zou willen is gewoon sloper worden. Oude gebouwen slopen, de mooie dingen eruit halen en daar dan weer iets leuks mee doen, dat lijkt me wel wat. En het slopen zelf, dat is natuurlijk ook leuk.”