In Liefde Bloeyende

H. Tollens Cz. (1780-1856)

Het rad van avontuur

't Noodlot draait zijn wentlend rad;

Rijdt en rolt de aardbol plat

Bergen op en over holen;

't Rost en jaagt en zwiert en giert

Toom en teugel bot gevierd

Rond en om naar lijn en polen

Door zijn luimen voortgestierd.

Holt het over schat en pracht

Het verplet ze door zijn vracht

En vermaalt ze, waar zij blinken;

Schokt het tegen tronen aan

Zij verbrijzlen, daar zij staan

En verstuiven en verzinken

Met de heersers en hun waan.

Maar gezwenkt, in vlugge vaart

Tilt het andren op van de aard

Die zich slingren om zijn speken;

't Voert hem voort, uit slijk en puin

Tot op zetels van arduin

Waar zij 't hoofd ten hemel steken

Met de roofprijs op hun kruin.

(...)

Allen, rondom opgetast

Klemmen we aan het rad ons vast

Als in wedloop voortgestoven;

Allen, op de prijs verhit

Draven we in de dolle rit

Maar wij wentlen onderstboven...

Veiligst wie in 't midden zit.

Allen, langs verscheiden spoor

Tuimlen wij de wereld door

Slingren, schokken, zwenken, zwaaien;

Wat zich ophief, glipt en glijdt

Wat ter neer lag, rijst en rijdt

Tot het rad, in 't eeuwig draaien

d'Een bij d'ander nedersmijt.

Allen op de struikelbaan

Wagen lust en rust er aan

Om een eindweegs voort te rollen;

Wien het plettend rad verniel'

Wie er steeg of nederviel

Allen grijpen 't aan, en hollen...

Niemand steekt een spaak in 't wiel.

Over noodlot en chaos, over de eeuwige wenteling en de ultieme zinloosheid gaat dit gedicht. Een beetje vreemd voor Hendrik Tollens Caroluszoon, die we kennen van

Triomf, triomf! hef aan mijn luit

en als de dichter bij uitstek van God, deugd en vaderland. Over geen van drieën gaat het hier. Er is in dit gedicht voor de mens geen redding. We worden voortgestuwd door de 'luimen' van het noodlot dat met zijn rad de aarde platwalst. Kortom, ons bestaan is een destructieve gril. Wie hooggezeten is en schatten bezit wordt verpletterd en 'gezwenkt' of omgekeerd wie in het slijk kruipt wordt omhooggetild 'tot op zetels van arduin', dat wil zeggen tot op zulke harde tronen dat ze niet te verbrijzelen lijken. Schijnbaar. Het rad wentelt door

Wat zich ophief, glipt en glijdt

Wat ter neer lag, rijst en rijdt

net zolang tot in de warrelklomp 't een van 't ander niet meer valt te onderscheiden. Biedt een God hier uitkomst? De slotregel is genadeloos. Niemand steekt een spaak in 't wiel. Niemand.

Er staat nog één meesterlijke en tegelijk raadselachtige zin in dit gedicht:

Veiligst wie in 't midden zit.

Het gaat hier om het oog van de cycloon waar het, zoals bekend, windstil is. Heeft Tollens met deze regel dan toch een hommage binnengesmokkeld aan de deugd (die zich, zoals eveneens bekend, steeds in 't midden ophoudt) en aan de middelmatigheid?

Maar wie zit er veilig in 't midden? Allen draven immers mee in dolle rit. Wie mocht denken dat de dichter daarmee alle anderen bedoelt wordt door het 'we' en 'wij' meteen uit de droom geholpen. Wij allen, Hendrik Tollens Caroluszoon incluis, tuimelen roofzuchtig de wereld door.

Blijft de vraag: wie zit er in 't midden? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hier een geheim verlangen van Tollens meespeelt, een wensdroom, een gevoel van voorbestemming. Daar - in 't midden - zou ik willen zitten. Daar hoor ik te zitten. Daar zit mijn werkelijke ik. Stiekem heeft Tollens zich in het gedicht verstopt. Hij heeft zich bijna onzichtbaar gemaakt. In die ene regel zien we een glimp van hem.

Tollens geldt - en gold in zijn tijd al - als de god van de middelmaat, als de belichaming van alles wat middelmatig voelde, dacht en handelde. Uit een aangrijpend gedicht, Avondmijmering, blijkt dat hij zich daar zelf van bewust was. 'De middelmatigheid,' schrijft Busken Huet over hem, 'is het verloren paradijs van het genie, en geen zondaarsgemoed kent pijnlijker knagingen, dan het kunstenaarsgeweten van de te kort geschoten kunstenaar.' In die kenschets ligt de tragiek van Tollens besloten.

Tollens droomt van zijn verloren paradijs, van een toevluchtsoord voor een hart dat verkild is. Stilletjes en ongenaakbaar zit hij daar in het verdwijnpunt van zijn gedicht. Het is er 'veilig' en warm. Een onhoudbare toestand, de dichter weet het. Laat hem zijn troost. Stoor hem niet. En lees ook die andere ijzige regel van hem als een hartekreet - half hoop, half angst: Niemand steekt een spaak in 't wiel.