Hillen wil IRT-rapportages openbaar

ROTTERDAM, 10 OKT. Het Tweede-Kamerlid Hillen (CDA) wil dat minister Sorgdrager (Justitie) de “personeelsvertrouwelijke” rapportages openbaar maakt die procureur-generaal Ficq deze zomer heeft gemaakt over acht leden van het openbaar ministerie naar aanleiding van de IRT-affaire.

Uit de rapportages, die voor Sorgdrager reden waren geen rechtspositionele maatregelen tegen de OM-leden te nemen, blijkt dat Ficq aanzienlijk positiever oordeelt over de Haarlemse officieren van justitie De Beaufort, Van der Veen en Kuitert dan eerder werd gedaan door de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa en de rijksrecherche. De rapportages werden deze zomer op verzoek van Sorgdrager gemaakt nadat de Tweede Kamer zich ontevreden toonde over de personele consequenties van de parlementaire enquête en het onderzoek van de rijksrecherche naar de CID Haarlem. Ficq voerde daartoe met onder meer de drie Haarlemse OM-leden uitgebreide gesprekken. Deze krant meldde gisteren dat de Haarlemse OM-leden volgens Ficq hebben gezorgd voor een “bovengemiddeld zorgvuldige begeleiding van de CID'en (Criminele Inlichtingendiensten) in hun arrondissement”, aldus Ficq in de niet openbaar gemaakte rapportages. Het Haarlemse OM gaf leiding aan het politieduo Langendoen en Van Vondel dat tienduizenden kilo's soft drugs in het criminele milieu liet verdwijnen. Volgens Hillen “zou het kunnen” dat Sorgdrager met het niet publiceren van de rapportages heeft aangestuurd op het uitblijven van personele gevolgen van de IRT-affaire. “Maar daarover wil ik eerst de minister horen”, aldus Hillen.

De commissie-Van Traa oordeelde eerder zeer negatief over de drie Haarlemse magistraten. Zo werd De Beaufort verweten dat hij zijn gezag onvoldoende had aangewend en kreeg Van der Veen het verwijt dat hij de minister van Justitie onjuist had ingelicht.

Een woordvoerder van het ministerie van Justitie wees er vanmorgen op dat de rapportages over de door Ficq onderzochte OM-leden niet openbaar zijn gemaakt omdat ze zijn toegevoegd aan het “personeelsdossier” van de betrokkenen en “daarmee zijn ze personeelsvertrouwelijk geworden en kunnen niet worden gepubliceerd”.