Het mysterie van de ziel

Wat is de ziel? Hoe werkt de geest? Het zijn vragen die de mens al sinds de prehistorie bezighouden. Sinds de Verlichting wordt het antwoord gezocht in de natuurwetenschappen. Passende verklaringen hebben ze nog niet opgeleverd, maar in combinatie met de filosofie zouden contouren zichtbaar kunnen worden.

Vroeger dacht men dat de mens uit twee componenten bestaat: een lichaam en een ziel. De herkomst van dit idee valt niet te achterhalen. Begrafenisgebruiken die wijzen op een geloof in een na de dood voortbestaande ziel tonen aan dat deze gedachte al in de prehistorie bestond. De militante materialist Mario Bunge schreef de theorie toe aan de Neanderthalers - en hij vond deze hoge ouderdom bepaald niet voor haar betrouwbaarheid pleiten.

Ook in de wetenschap deed de dualistische theorie aanvankelijk opgeld. Zelfs de Griekse materialisten dachten dat de ziel uit een speciaal soort atomen bestaat. Gedurende de eerste zestien eeuwen van onze jaartelling was vooral de pneumatische opvatting van de ziel populair. Volgens deze theorie bestaat de psyche uit een ijle gasachtige substantie, het 'pneuma'. Dit pneuma zou zich in de hersenholten bevinden en zich door de zenuwen, die als holle buizen werden beschouwd, door het lichaam verspreiden. Deze theorie klinkt niet alleen fraai, ze had ook de instemming van autoriteiten, onder wie de beroemdste klassieke arts Galenus en de kerkvader Augustinus.

In de zeventiende eeuw ontdekte men dat de hersenholten en zenuwen niet met gas, maar met vocht zijn gevuld. Vanaf dat moment raakte de pneumatische opvatting van de ziel uit de gratie. Maar als de ziel geen gas is, wat is ze dan? De Franse filosoof Descartes had een originele oplossing: ze is niet fijnstoffelijk, maar onstoffelijk. Toen begonnen de problemen pas goed. Het is immers volstrekt onvoorstelbaar hoe een immateriële ziel met een materieel lichaam in contact zou kunnen staan. Stel dat ik besluit mijn arm op te tillen. Hoe zou een dergelijk voornemen in mijn onstoffelijke ziel mijn hersenen in beweging moeten zetten? Zouden de wetten van behoud van energie en impuls niet geschonden worden als mijn ziel de activiteiten in de hersenen naar believen naar haar hand kon zetten? En hoe zouden zintuiglijke prikkels ooit mijn ziel kunnen beroeren als die part noch deel heeft aan de fysische werkelijkheid? Niemand heeft deze vragen ooit bevredigend kunnen beantwoorden. De dualistische theorie is hopeloos en haar enige tegenwoordige verdediger, de neurofysioloog John Eccles, Nobelprijswinnaar in 1963, wordt alom bespot.

De achttiende-eeuwse Franse materialisten waren de eersten die stelden dat wij geen fijnstoffelijke of onstoffelijke ziel hebben, maar over niets anders beschikken dan over onze hersenen om het mee te doen. Een dergelijke opvatting is moeilijk te rijmen met een geloof in een persoonlijk voortbestaan na de dood. In tegenstelling tot wat velen denken, degradeert de materialistische doctrine de mens echter niet tot een domme machine. Zoals de filosoof De Lamettrie al in 1748 opmerkte, “berust de uitmuntendheid van de geest niet op een groot woord zonder inhoud (de onstoffelijkheid), maar op zijn kracht, bevattingsvermogen of scherpzinnigheid. Ik zou liever een slimme ziel van modder hebben dan een stompzinnige ziel gemaakt van de kostbaarste elementen.”

Vrijwel alle tegenwoordige filosofen en wetenschapsbeoefenaars zijn geestelijke erfgenamen van De Lamettrie. Zij noemen zich echter geen materialisten meer, maar fysicalisten. Zij geloven dat de natuurwetenschappen ons vertellen wat er is: quarks, elektromagnetische velden, en wat dies meer zij. Volgens de natuurwetenschappen zit er in onze hersenen geen onstoffelijke ziel. Er bestaan geen elementaire psychische deeltjes (psionen) en het periodiek systeem begint niet met het element psychium (met atoommassa 0). We moeten de filosofische problemen die we in verband met mentale verschijnselen hebben dan ook maar op een andere manier zien op te lossen dan met een beroep op dergelijke niet-bestaande dingen. “Het dualisme is een rotspunt geworden om je tegenstander vanaf te duwen”, zei de Amerikaanse filossof Daniel Dennett. Als je kunt aantonen dat de opvattingen van je opponent tot dualisme leiden, is hij of zij verloren.

Al wordt het fysicalisme tegenwoordig alom aanvaard, dat wil niet zeggen dat het een pasklaar antwoord heeft op alle vragen. Het moeilijkste probleem is het probleem van het bewustzijn. Dit wordt ook wel het probleem van de qualia genoemd, het probleem van de manieren waarop de dingen zich aan ons voordoen. Stel dat ik een groene krop sla zie. De hersenwetenschappen vertellen min of meer wat er in de hersenen gebeurt als ik een dergelijke gewaarwording heb. Technieken als Positron Emissie Tomografie (PET-scan) en Nucleaire Magnetische Resonantie (NMR), waarmee de bloeddoorstroming in verschillende gebieden van de hersenen in kaart kan worden gebracht en de stofwisseling op verschillende locaties in de hersenen kan worden bepaald, vertellen ons zelfs welke delen van de hersenen bij uitstek actief zijn als ik een dergelijke gewaarwording heb. Maar waarom leidt de activiteit in hersengebied X juist tot gewaarwording Y? Waarom krijg ik een ervaring van groenheid, in plaats van bijvoorbeeld roodheid of zelfs jeuk als gebied X actief is? Krijgen andere mensen precies dezelfde gewaarwording als hun gebied X actief wordt? Of zou ík dan eerder van roodheid of stank spreken? Waarom krijg ik überhaupt een bewuste gewaarwording als hersendeel X actief is? Waarom zijn mensen geen zombies, die helemaal niets ervaren? Waarom hebben bepaalde hersenprocessen een subjectief of intern aspect? Op dergelijke vragen weet niemand het antwoord. Zelfs Francis Crick, Nobelprijswinnaar in 1962, die na de ontdekking van de structuur van het DNA zijn gehele leven aan de studie van de hersenen en het bewustzijn heeft gewijd, moet bekennen dat de 'verbijsterende hypothese' van het fysicalisme hem hier in de steek laat. David Chalmers, de grootste nieuwe ster die momenteel in de filosofie van de geest rondloopt, vraagt zich zelfs af of de natuurkunde niet uitgebreid moet worden met nieuwe wetten om recht te doen aan het fenomeen van het bewustzijn.

Sommige filosofen hebben de moed inmiddels opgegeven. De bekendste van hen is Colin McGinn. Volgens hem zullen wij het probleem van het bewustzijn nooit oplossen. Niet omdat het op zichzelf zo'n moeilijk probleem zou zijn: God of andere buitenaardse wezens zouden hun hand er misschien niet voor omdraaien. Nee, McGinn gelooft alleen maar dat het te moeilijk is voor ons, mensen. Net zoals we blinde vlekken hebben in onze waarnemingen, zo hebben we wellicht ook fundamentele tekortkomingen in ons begripsvermogen. We staan als het ware te dicht op onze hersenen en ons bewustzijn om hun relatie in het juiste licht te kunnen zien. “Ignoramus, ignorabimus” (we weten het niet en we zullen het niet weten), zei Du Bois-Reymond in de vorige eeuw, en de new mysterians zeggen het hem na.

Een dergelijk defaitisme is echter ongepast. Stel dat Newton en Darwin zo over de bewegingen van de maan en de oorsprong van de soorten hadden geredeneerd. Daar zouden we niet veel mee zijn opgeschoten. Zowel de wetenschap als de filosofie gedijt bij de gratie van enig optimisme en vertrouwen in het menselijke kenvermogen. Zowel de hersenwetenschappen als de filosofie van de geest hebben in de loop van onze eeuw een geweldige ontwikkeling doorgemaakt. Er is op het moment bovendien sprake van duidelijke toenaderingspogingen tussen deze disciplines. Ze staan niet meer zo vijandig tegenover elkaar als vroeger het geval was en de filosofen en de onderzoekers zijn het steeds vaker met elkaar eens over wat de fundamentele problemen zijn. De vruchten hiervan zullen stellig niet uitblijven. Wie, zoals McGinn, meent dat verdere vooruitgang onmogelijk is, moet zich maar met iets anders gaan bezighouden.