Gevoelens van schuld en angst in Moskou

MOSKOU, 10 OKT. De Russische televisiekijker moet langzamerhand de indruk hebben dat Afghanistan belangrijker is dan Amerika. Terwijl de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten slechts mondjesmaat de journaals halen, zijn de Talibaan regelmatig item één of twee. In een land dat doorgaans genoeg heeft aan het binnenlandse nieuws, zorgen gevoelens van schuld en angst voor primeurs.

“Het bevestigt dat al die levens zijn verspild van die jongens die daar heen gingen om hun internationale plicht te vervullen”, zei Sergej Trachirov, directeur van een organisatie voor invalide Afghanistan-veteranen. De beelden van triomferende islamitische strijders zeggen de oud-strijders één ding: “Al dat werk om wegen aan te leggen, gebouwen neer te zetten, bases in te richten is voor niets geweest.”

De schuldgevoelens betreffen niet alleen de eigen soldaten die tijdens de Sovjet-aanwezigheid van 1979 tot 1989 zijn gesneuveld. Toen de Talibaan eerder deze maand oud-president Najubullah doodden en in het openbaar te kijk hingen, zagen Russen behalve een wrede daad vooral de man bungelen die juist zij destijds met hun invasie in het zadel hebben geholpen.

“De huidige situatie in Afghanistan is geworteld in die dagen en in 1992, toen Rusland, de wettige opvolger van de USSR, het land aan zijn lot overliet”, verklaarde onlangs Boris Gromov, de generaal die de laatste troepen Afghanistan uit leidde. In 1992, een jaar na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, beëindigde Moskou na de militaire ook de politieke en materiële steun aan Kaboel. Volgens Gromov te abrupt.

Maar het succes van de islamitische strijders dwingt niet alleen tot terugkijken. Afghanistan wordt nog steeds beschouwd als Ruslands 'achtertuin', ook al ligt die sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie meer dan duizend kilometer van huis. Wat het 'communistische gevaar' in Latijns-Amerika betekende voor de Amerikanen, betekent de 'oprukkende islam' in Centraal Azië voor Rusland. Via een domino-effect zou het nabije buitenland' en uiteindelijk zelfs Rusland zelf ten prooi kunnen vallen aan fundamentalisme, zo is de vrees.

“Als de Talibaan met Pakistaanse steun de grenzen van Oezbekistan en Tadzjikistan bereiken, waar zij gebieden claimen, inclusief (de stad) Boechara, en zij Russische grenstroepen aan de kant schuiven, dan ligt de weg over de vlakten naar het noorden open”, zei veiligheidsadviseur Aleksandr Lebed vorige week. Vergeleken met deze dreiging is Tsjetsjenië “een kleinigheid”.

In zijn woorden klonk een aloude angst voor het 'Aziatische gevaar' door, al zal Lebed zelf volgens Lebed vast geen angst kennen. Het 'Tataarse juk' uit de dertiende eeuw, toen steppenruiters uit Mongolië grote delen van Europees Rusland veroverden, is een begrip voor elke scholier die tijdens de geschiedenislessen heeft opgelet. En op dit moment is er weliswaar nog geen nieuwe Dzjengis Kahn opgestaan, maar de 'onderbuik' van het Russische rijk is nog niet minder 'week' dan toen.

Wat betekent dit voor het Russische beleid? Lebed heeft direct voorgesteld de tegenstanders van de Talibaan “moreel en materieel” te helpen. Maar hij is vooralsnog de enige. “We moeten erg voorzichtig zijn, we hebben hier tenslotte te maken met de Oriënt”, waarschuwde maandag Joeri Batoerin, secretaris van een presidentiële adviesraad voor Defensiezaken. Minister van Buitenlandse zaken Jevgeni Primakov zei: “We moeten ons nu niet haasten, noch met interventie noch met erkenning van de nieuwe machthebbers.”

Moskous enige daad tot nu toe is het bijeenroepen geweest van een topconferentie van de voormalige Sovjet-republieken in Centraal-Azië, afgelopen weekeinde. Afgesproken werd dat niet tussenbeide zal worden gekomen, maar dat eensgezind de grenzen met Afghanistan zullen worden versterkt.

Oezbekistan, Kazachstan, Kirgizië, Tadzjikistan en Toerkmenistan zijn jonge staten met een overwegend islamitische bevolking maar met seculiere, niet altijd democratisch gekozen regeringen. De top illustreerde hun dilemma: zij moeten niets hebben van fundamentalisme, maar evenmin van een overmaat aan Russische 'bescherming'. Drie van deze republieken grenzen direct aan Afghanistan, maar zij hebben niet per sé dezelfde belangen.

President Saparmoerat Nijazov van Toerkmenistan bijvoorbeeld kwam zelfs helemaal niet opdagen. Hij heeft al met de Talibaan overeenstemming bereikt over de aanleg van olie- en gaspijpleidingen door Afghanistan, via Pakistan naar zee. Etnische of politieke onrust die door het succes van de islamitische Talibaan zou kunnen worden beïnvloed, heeft het met straffe hand bestuurde Toerkmenistan nauwelijks: Nijazov is er zelf onbetwist de Allerhoogste.

Anders is de situatie in Tadzjikistan, waar een door Moskou gesteund regime van 'voormalige' communisten al vier jaar een burgeroorlog uitvecht met eigen islamitische rebellen. Met actieve Russische steun (25.000 man grenstroepen) zijn de rebellen, onder wie ook democratisch georiënteerde tegenstanders van het regime en a-politieke vluchtelingen, het land uitgedreven, Afghanistan in. Daar worden ze getolereerd door krijgsheer Ahmed Shah Massoud, zelf een etnische Tadzjiek en thans in gevecht met de Talibaan.

Oezbekistan is eveneens al indirect bij het Afghaanse conflict betrokken. Abdul Rasheed Dostam, de tweede krijgsheer die vanuit het noorden van Afghanistan de Talibaan bestrijdt, is een etnische Oezbeek. President Islam Karimov pleit voor meer steun aan Dostam, die geldt als een bevriende buffer tegen het nieuwe fundamentalisme in Kabul. Kazachstan en Kirgizië, niet grenzend aan Afghanistan, verzetten zich juist tegen elke vorm van inmenging.