CDA verhevigt het politieke gekrakeel over koningin Beatrix

Door de indruk te wekken dat de koningin bij het paarse kabinet in slechte handen is, zet het CDA het staatshoofd juist middenin de politieke strijd, meent Menno de Bruyne. Bovendien is het CDA ook niet altijd even zuiver met het staatshoofd omgedaan.

Is paars staatsgevaarlijk? Volgens het CDA wel. Als je het CDA-Kamerlid Van der Burg mag geloven, is de positie van koningin Beatrix door de voortdurende publiciteit over haar bemoeienis met het regeringsbeleid, verzwakt. De christen-democraten stellen het kabinet-Kok verantwoordelijk voor die 'majesteitsschennis'. De paarse ministers schieten te kort in het bewaken van het geheim van het paleis.

Het CDA heeft gelijk. De aanhoudende geruchten over de bemoeienis van koningin Beatrix met het regeringsbeleid, doen de vorstin geen goed. In feite ondergraven die geruchten het geheim van het paleis. Dat geheim is in ons staatsbestel onmisbaar, omdat het logisch voortvloeit uit één van de kernartikelen in onze Grondwet over het functioneren van de Nederlandse constitutionele monarchie. In artikel 42 staat: “De Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk.” Met zoveel woorden staat hier, dat voor al het doen en (na)laten van de koningin niet zíj, maar de minísters dienen te worden aangesproken. De achterliggende gedachte daarbij is dat het staatshoofd boven de partijen moet staan, en daarom buiten de politieke strijd moet worden gehouden. Om wijlen professor Donner te citeren: “Het koningschap troont boven de debatten van de dag en verbindt parlementaire zittingsperioden en opeenvolgende kabinetten tot een snoer.”

Deze hoofdwet van het Nederlandse constitutionele bestel wordt ondergraven indien bewindslieden, of anderen die het weten kunnen, uit de kroon klappen. Dat is vooral dan een punt, als de koninklijke inbreng in het regeringsbeleid zichtbaar wordt aan de hand van concrete gevallen. Al jaren laten gezaghebbende Haagse kringen doorschemeren dat koningin Beatrix een vorstin is die haar constitutionele bevoegdheden eerder naar boven, dan naar beneden afrondt. Koningin Beatrix heeft na ruim vijftien jaar koningschap een reputatie opgebouwd waar je niet meer mevrouw, maar 'Majesteit' tegen zegt. Niemand is daar ooit over gevallen, maar nu, nu die 'abstracte' koninklijke invloed opeens in een aantal concrete gevallen zichtbaar is gemaakt, is Leiden in last.

De ellende is eigenlijk begonnen in Amman. Bij de opening van de Nederlandse ambassade in de Jordaanse hoofdstad, babbelde minister Van Mierlo zijn mond vrolijk voorbij door openlijk te melden dat de vestiging van die ambassade het werk was geweest van de koningin. Zij had persoonlijk op die buitenpost aangedrongen omdat de Oranjes nauwe en vriendschappelijke banden onderhouden met het Hasjemitische koningshuis. Weliswaar erkende Van Mierlo na thuiskomst in antwoord op schriftelijke vragen van de SGP dat hij staatsrechtelijk een scheve schaats had gereden, zelfs beloofde de boetvaardige bewindsman beterschap, maar daarna ging het pas echt, en goed mis.

Affaire stapelde zich op affaire. Na Amman speelden achtereenvolgens het vermeende verzet van de vorstin tegen het homohuwelijk, de weigering van staatssecretaris Nuis van Cultuur om mee te werken aan de uitvoering van het toneelstuk 'Emily', de hernieuwde aandacht voor Hare Majesteits 'inzet' ten behoeve van de in Singapore ter dood veroordeelde Nederlandse zakenman Van Damme en - last but not least - de (af)gedwongen overplaatsing van 'onze man' in Zuid-Afrika, met daaraan gekoppeld kritische vragen over het vorstelijke uitnodigingsbeleid ten aanzien van ongetrouwde stellen. Aan dit rijtje is deze week de 'lintjeskwestie' nog toegevoegd. Het is overigens goed hierbij te bedenken dat, afgezien van de eerste affaire (Amman, waar de minister van Buitenlandse Zaken zelf de onthuller was), het in al deze gevallen gaat om verhalen en geruchten waar niemand het fijne, laat staan het ware van af weet.

Degene die hier het eerst op aangesproken moet en kan worden, is minister-president Kok. Hij is het die een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor het koninklijk huis en de contacten tussen de koning en de ministers. Onlangs is de loslippigheid van lekkende bewindslieden dan ook uitdrukkelijk bij de premier op het bordje gelegd. Dat gebeurde bij de algemene politieke beschouwingen in de Tweede Kamer door CDA-fractievoorzitter Heerma als diens SGP-collega Van der Vlies. Premier Kok heeft bij die gelegenheid nog eens luid en duidelijk de juiste staatsrechtelijke leer uiteengezet, én zich daaraan onvoorwaardelijk geconformeerd. Waar het op aankomt en wat hij nu moet doen, is zijn woorden in de ministerraad kracht bijzetten, desnoods met de vuist op tafel bij Van Mierlo en Dijkstal, zodat die dreun op alle ministeries is te horen.Het verschijnsel 'paleislekken' is overigens niets nieuws, en, goed om te weten voor hevig verontruste CDA-Kamerleden, niet een zaak waar alleen seculiere bewindslieden zich aan bezondigen. De meest geruchtmakende onthuller was en is oud-minister van Defensie H. Vredeling. Deze ging zich in 1985 in het weekblad Haagse Post te buiten aan een tot dan toe ongekende vrijpostigheid. In geuren en kleuren deed de PvdA-er den volke kond van zijn midden jaren zeventig uitgevochten ruzie met koningin Juliana ('moe aan de lijn') en prins Bernhard ('een typische mof') over een te houden militaire parade.

De ergste christen-democratische majesteitsschenner is oud-minister van Sociale Zaken J. Boersma. Deze ex-excellentie deed in zijn 1985 verschenen herinneringen een boekje open over Juliana's toornen ('de koningin spuwde vuur') tegen het voorstel van het kabinet-Biesheuvel om het aantal leden van het koninklijk huis drastisch te beperken. Ook KVP(CDA)-corryfee Luns heeft meer dan eens in het publiek uitspraken gedaan over de zijns inziens linkserige inzichten en sympathieën van koningin Juliana. En wat te denken van de in CDA-kring nog immer gevierde oud-premier Dries van Agt die in 1991, tijdens een boekpresentatie in perscentrum Nieuwspoort, zonder ook maar enige directe aanleiding uit zijn mond liet ontvallen dat koningin Juliana al voor 1980 had willen aftreden. Dat het uiteindelijk toch 1980 was geworden, was volgens de lekke Van Agt omdat de vorstin, gezien de onstabiele politieke situatie eind jaren zeventig en de slepende kruisrakettenkwestie, toen nog geen abdicatie aandurfde.

Hoezeer de christen-democraten dus ook gelijk hebben als ze de waarschuwende vinger leggen bij de voor de koningin en de monarchie schadelijke lekkages, gezien het geenszins onbevlekte eigen blazoen past het CDA deze kwestie toch wel enige bescheidenheid. Bovendien is de CDA-aanpak weinig geloofwaardig. Wie het er werkelijk om te doen is om koningin Beatrix uit de buurt van partijpolitiek gekrakeel te houden, trekt het schenden van het geheim van het paleis niet in de sfeer van paars versus niet-paars. Door de indruk te wekken dat de koningin bij het paarse kabinet in slechte handen is, zetten Van der Burg cum suis het staatshoofd juist middenin die politieke strijd. Daarmee bewijst het CDA de monarchie in het algemeen, en koningin Beatrix in het bijzonder, een slechte dienst.

Bovendien, toen CDA-fractievoorzitter Heerma de zaak aan de orde stelde bij de algemene beschouwingen, bleek ook de CDA-fractie content met Koks correcte repliek. Des te valser klinkt het als nu, amper drie weken later, zo hoog van de toren wordt geblazen. Het zou de christen-democraten daarom niet misstaan om een toontje lager te zingen, zeker als de melodie die van het Wilhelmus is.