Bruckner al te luide opening van moeilijk seizoen

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Riccardo Chailly m.m.v. Luba Orgonasova, Nathalie Stutzman, Hans Peter Blochwitz en Kurt Moll. Programma: A. Bruckner: Ave Maria; Mis nr 3. Gehoord: 9/10 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 10, 11, 13/10. Radio-uitz.: 13/10 14.15 uur Avro Radio 4.

Het Koninklijk Concertgebouworkest begon pas gisteren onder leiding van chef-dirigent Riccardo Chailly echt aan het nieuwe seizoen, na wat zomerse inspeelconcerten en optredens in Salzburg, Seoul, Sjanghai, Peking, Tokio, Nagoya en Osaka. Het wordt een lastig seizoen, want er moet een nieuwe artistiek leider worden gevonden (vacature Jan Zekveld), twee nieuwe concertmeesters (vacatures Liberman en Van Zweden) en een nieuwe sponsor (de al jaren bestaande vacature DAF). Bovendien krijgt het orkest van staatssecretaris Nuis geen cent van de gevraagde vele extra subsidiemiljoenen.

Het publiek kreeg gisteren een vroegertje, het stond om half tien weer buiten omdat het Brucknerconcert was gezuiverd van de oorspronkelijk geprogrammeerde variaties van Strawinsky op Bachs Vom Himmel hoch da komm ich her. Het orkest vond dat Strawinsky de aandacht zou afleiden van Bruckners honderdste sterfdag, morgen.

Dat had men een eeuw geleden echter ook al kunnen bedenken. De combinatie van Bruckners Mis met deze Strawinsky had juist een interessant licht geworpen op vele eeuwen van omgaan met kerkmuziek. De Mis van Bruckner refereert immers ook aan religieuze muziek van Bach (en daarmee al van Schütz), Mozart, Berlioz en Verdi. Het werk, geschreven tussen zijn twee eerste symfonieën, toont, vooral in het Credo, reeds de Bruckneriaanse symfonische motoriek.

In plaats van Strawinsky zong het Groot Omroepkoor a cappella het drie minuten durende Ave Maria van Bruckner. Het kreeg een slap applausje, deels ook van het orkest, terwijl Chailly dit gebed uiteraard, na een korte stilte, meteen had moeten laten overgaan in het Kyrie van Bruckners Mis nr 3.

Orkest en dirigent moesten na zoveel buitenlandse optredens kennelijk weer wennen aan de akoestiek van de eigen zaal. Het is althans te hopen dat er geen artistieke redenen waren om deze Bruckner zó genadeloos overluid uit te voeren dat het koor het orkest vele malen overstemde en het respectabele solistenkwartet nauwelijks was te horen. Tot het Benedictus klonk vrijwel niets mooi Bruckneriaans. Een aantal concertgangers verliet voortijdig de zaal, zelfs nog vlak voor het afsluitende Agnus Dei, via de podiumtrap, zodat Chailly moest wachten met de laatste inzet. Op dit concert rustte geen zegen.