'Bedrijf is meer dan verhandelbaar pakketje'

ROTTERDAM, 10 OKT. “Ondernemingen zijn méér dan alleen maar verhandelbare goederen die je naar eigen goeddunken kunt kopen en verkopen!” Professor dr P.A. Moerman, hoogleraar industriële economie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, bekijkt de recente fusies en overnames met de nodige zorg.

Grote Nederlandse bedrijven gaan dezer dagen als zoete broodjes over de toonbank, als eenvoudig verhandelbare goederen: DAF Trucks naar het Amerikaanse Paccar, MeesPierson naar het Nederlands-Belgische Fortis, Fokker (waarschijnlijk) naar het Koreaanse Samsung.

“Een onderneming is ook in Europa een trade-able good geworden, een verhandelbaar goed dat je als pakketje willekeurig op de markt kunt zetten. Je hebt een verkoper en een koper, and that is it.” Moerman constateert een sterke Amerikanisering van de Europese economie: de invloed van beleggers en aandeelhouders op het reilen en zeilen van ondernemingen neemt hand over hand toe ten koste van de rest van de belanghebbenden in de ondernemingen. “De shareholders winnen het van de rest van de stakeholders”.

Moerman is weinig ingenomen met deze ontwikkeling. “In mijn visie, vanuit mijn Europese optiek, is een onderneming meer dan een trade-able good. Een onderneming heeft ook iets te maken met verankering in het land waar de onderneming is ontstaan, met infrastructuur, toeleveranciers, research, onderwijs. Een onderneming heeft een maatschappelijke verantwoordelijkheid.” Een bedrijf verkoop je dus niet zomaar zonder meer aan het buitenland puur en alleen omdat het geld oplevert voor de aandeelhouders, aldus de redenering van de Rotterdamse hoogleraar.

Moerman is bang dat veel Nederlandse industriële bedrijven in buitenlandse handen vallen. Dat is niet goed voor het land. Hij wijst er op dat Nederland in de zeventiende eeuw al een flinke industrie had. “Nederland in de Gouden Eeuw staat bekend als handelsnatie. Een heleboel mensen vergeten dat de Gouden Eeuw werd geschraagd door een ijzersterk industrieel fundament. Het land had de grootste scheepsbouwsector van Europa, een flinke wapenindustrie, een voedingsmiddelenindustrie, een textielindustrie, koloniale waren. Kortom, wij waren toen al eigenlijk een industriële natie.” Als het aan Moerman ligt blijft die Nederlandse industrie, in weerwil van de recente overnemingen, in Nederlandse handen.

Moerman organiseerde vorige week het congres 'Standort Nederland; Nederland uw economische vestigingsplaats in de 21e eeuw'. Centrale vragen daarbij waren: hoe voorkomen wij uitverkoop van Nederlandse technische kennis en kunde en hoe verankeren wij de Nederlandse zeggenschap in de industrie. Een congres waaraan ook minister Wijers (economische zaken) zijn medewerking verleende.

Maar het verslag van de bijeenkomst was nog niet uitgetikt, of DAF Trucks, 's lands enig overgebleven automobielfabrikant, kondigde aan door Amerikanen te zullen worden overgenomen. Een groot industrieel bedrijf in buitenlandse handen.

“We gaan in Europa van een stakeholdersvalue naar een shareholdersvalue. Bij stakeholdersvalue betrek je in je besluitvorming over je onderneming de belangen van alle participanten die in de omgeving van het bedrijf een rol spelen. Bij stakeholdersvalue heb je als bedrijf een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Bij shareholdersvalue daarentegen opereert de onderneming puur en alleen vanuit de belangen van de aandeelhouders. Financieel kapitalisme heet dat met een mooi woord, Amerikaans kapitalisme. Het geld is uiteindelijk het belangrijkste.”

Dat ook in Nederland financieel kapitalisme het van continentaal kapitalisme wint, vindt Moerman verklaarbaar. “Dat komt omdat er rigiditeiten in zijn geslopen. Rond het continentaal kapitalisme groeiden instituties die zelfbevestigend zijn en remmend werken. Zoals de Sociaal Economische Raad. Die overlegcultuur, die kost geld, die kost tijd, die genereert frustraties. Het is niet 'anpassungsfähig'. Dat is in deze warrige tijd een enorm probleem. Want als industrieel complex moet je snel kunnen inspelen op de veranderingen in de wereld. Met het huidige continentaal kapitalisme is dat dus een probleem. Datgene wat ons waarmerk was (CAO's, vaste workforce, ontslagrecht), werkt nu tegen ons. De Amerikanen zeggen, geen ge-ouwehoer, het bedrijf moet winst maken. Je hebt de shareholders value en het bedrijf wordt daar op afgerekend. Maatschappelijke verantwoordelijkheid vinden ze geleuter, want dat is een zaak van anderen.”

Moerman zou het liefst het continentaal model “wat losser” maken. “Dat is voor mij de centrale kwestie. We moeten ons niet onmiddellijk overgeven aan dat gekwaak van die Amerikanen, met hun managementopvattingen, hun goeroes en hun Jomanda's.” Hij constateert dat er in Nederland helemaal geen debat plaatsvindt over dit soort fundamentele kwesties. “Wij praten er niet met elkaar over. We kiezen de gemakkelijkste weg: Een onderneming is een pakketje, basta, en wie er toevallig in dat pakketje zit, wordt meeverkocht. Over en uit. Naar human capital wordt nauwelijks gekeken.”

Moerman wil terug naar de discussie van vlak na de Tweede Wereld-oorlog toen de industriële ontwikkeling in Nederland nog heel duidelijk werd geregisseerd door de Nederlandse regering. Hij vindt het weliswaar begrijpelijk dat de overheid voorzichtiger is geworden na het RSV-debâcle waarbij honderden miljoenen overheidssteun in een bodemloze put verdwenen. Maar hij betreurt het tegelijkertijd dat minister Wijers een afwachtende houding aanneemt en de overheid slechts als een katalysator beschouwt voor industriële ontwikkeling. De overheid zou wat Moerman betreft weer regisseur moeten worden.

Op korte termijn moge het principe van shareholders value gunstig zijn, op de lange termijn kan het desastreuze gevolgen hebben, meent Moerman. “Als je consequent op geld, alleen maar op geld wordt afgerekend verwaarloos je de andere elementen - de infrastructuur, de mensen, alles wat er rond omheen zit. Amerikanisering leidt tot maatschappelijke slack, met uiteindelijk een grote groep mensen die buiten de boot valt en 's nachts in de open lucht onder een paar kranten slaapt.”

Als voorbeeld noemt hij NedCar dat een paar jaar geleden voor een deel in Japanse handen viel. “Na de overname is een flink aantal arbeidsplaatsen geschrapt, zijn de ontwikkelingsinspanningen teruggebracht en is ook behoorlijk gekort in het aantal Nederlandse toeleveranciers.”

Moerman wil DAF-topman Cor Baan graag aan een uitspraak herinneren die twee jaar geleden in het Amerikaanse Time stond naar aanleiding van de enorme saneringsrondes in de Amerikaanse automobielindustrie: 'Back on top, but it hurts'. “Terug aan de top maar het doet pijn, omdat er flink werd gesaneerd. Mensen moesten 70 à 80 uur per week gaan werken, hadden geen tijd om hun inkomsten uit te geven, en daaromheen zaten hele grote wolken van los volk. En iedereen vroeg zich af, waar zijn we in godsnaam mee bezig. En dat stond allemaal in een gezaghebbend Amerikaans tijdschrift. Cor Baan doet het voorkomen alsof hij met Paccar een prachtdeal heeft gesloten. Maar als je zo'n Amerikaans tijdschrift leest, krab je je wel voor en tweede keer achter de oren. Stel dat straks het nieuwe Amerikaanse management van DAF in al zijn wijsheid zegt: er moeten in Nederland zoveel duizend man uit, dan kan Nederland formeel wel zijn handje opsteken, maar materieel heb je helemaal niets in te brengen.”

Als het aan Moerman had gelegen gaat DAF niet over in buitenlandse handen. “Er moet een stuk cultureel erfgoed in Nederland blijven. Dat klinkt nationalistisch. Maar als land speel je op het wereldtoneel pas mee als je knikkers hebt. En als je straks op het wereldkerkplein gaat knikkeren en je hebt geen knikkers meer in je hand, kun je wel inpakken, dan speel je niet meer mee.”

Hoogleraar Moerman voelt zich soms een roepende in de woestijn. Maar het congres van vorige week over Standort Nederland heeft hem nieuwe hoop gegeven. “In Duitsland is die discussie over 'standort' al lang op gang gekomen. Het gaat er mij alleen maar om dat we hier in Nederland die discussie ook voeren.” Moerman bereidt intussen een tweede congres Standort Nederland voor.