William Vickrey en James Mirrlees; Nobelprijs voor pioniers in 'asymmetrie'

“Een zeer gelukkige keuze, al hadden ze hem allebei al veel eerder verdiend.” Zo reageert de Tilburgse hoogleraar E. van Damme op de toekenning van de Nobelprijs voor de economie aan de Canadees William Vickrey en de Brit James Mirrlees. Zowel Vickrey, nu 82 en emeritus-hoogleraar aan de Amerikaanse Columbia-Universiteit, als de zestigjarige Cambridge-hoogleraar Mirrlees combineren een grote onbekendheid bij het brede publiek met een al even grote populariteit in academische kring.

Maar ook daar had vrijwel niemand hun Nobelprijs zien aankomen. De twee economen hebben elkaar nooit ontmoet, zijn van verschillende generaties, en een verband tussen het onderzoek van de twee is slechts indirect te leggen. Allebei zijn ze bekend door hun werk aan “asymmetrische informatie” - het optimaliseren van beslissingen waarbij twee partijen over ongelijke informatie beschikken. Tot dan toe ging de economische theorie er in grote lijnen van uit dat economische actoren wel over gelijke informatie beschikken, maar over verschillende voorkeuren.

In de economie wemelt het van de processen tussen partijen die over asymmetrische informatie beschikken. Vaak zijn dat de overheid en partijen in de samenleving, zoals burgers, bij het vaststellen van de kosten van publieke goederen. Of een verzekeraar die, niet volledig op de hoogte van de gezondheid van zijn polishouders, een premie moet vaststellen. Of het ministerie van Financiën tegenover beleggers bij het veilen van staatsleningen.

Van Damme noemt bij voorbeeld de kosten van het tegengaan van overlast van de nieuwe Hoge SnelheidsLijn: de gedupeerde burgers die aan het toekomstige traject wonen kunnen, gevraagd naar maatregelen die nodig zijn, zich strategisch opstellen en inzetten op hoge eisen. De overheid kan echter nooit vaststellen of zij overbieden of inderdaad een redelijke voorstelling van zaken geven. Wanneer een overbieding wordt ingecalculeerd zullen de milieumaatregelen onvoldoende zijn. Maar wanneer de overheid klakkeloos op de eisen ingaat geeft zij nodeloos veel geld uit.

Vickrey adviseerde de gemeente New York al in de jaren vijftig over een soortgelijk probleem: het vaststellen van de prijs van kaartjes voor de ondergrondse. Kern van zijn werk is het uitfilteren van een strategische opstelling bij kopers wanneer de prijs van een goed moet worden vastgesteld, bij voorbeeld op een veiling. In de praktijk is van Vickrey de naar hem vernoemde veilingmethode het meest bekend. De verkoper beschikt niet over afdoende informatie over de koopkracht en kooplust van de bieders, die dat ieder voor zich wel weten, maar weer niet van elkaar. In de Vickrey-veiling brengt elke gegadigde een voor de anderen gesloten bod uit op een goed, waarna de hoogste bieder het goed mag kopen voor de op een na hoogst geboden prijs. De logica achter dit systeem is dat de bieders, die op de hoogte zijn gesteld van de methodiek, zich minder strategisch hoeven op te stellen tegenover hun concurrenten, waardoor er een objectievere prijs uitrolt.

Vickrey paste zijn methodiek toe op een veelheid aan gebieden. Mirrlees liet zich voor zijn centrale idee, dat hij in 1968 “in een schok” doorkreeg, inspireren door Vickrey. De Britse econoom werd vermaard door zijn werk aan de optimalisering van de inkomstenbelastingheffing. Ook hier ligt een asymmetrie aan informatie aan ten grondslag. Bij de heffing van belasting hinkt de overheid op twee gedachten. Ten eerste is er een fundamentele notie van de eerlijkheid van een heffingssystem: wie meer capaciteiten heeft meegekregen, zal een betere baan krijgen en meer verdienen. Daar moet meer belastingheffing tegenover staan. Zo'n stelsel van progressieve belasting, zoals Nederland dat heeft, gaat voorbij aan de tweede doelstelling van een overheid: het niet ontmoedigen van het streven naar meer inkomen door simpelweg harder te werken.

Mirrlees' oplossing gaat er van uit dat de overheid niet over voldoende informatie over de gevoeligheid van haar burgers voor fiscale prikkels beschikt, die de burgers ieder voor zich wel hebben. Zijn uiteindelijke oplossing was de introductie van een belastingsysteem waarin het tarief bij een stijgend inkomen gradueel oploopt van nul naar een maximum, om vandaar af aan weer gradueel te dalen naar nul. Zowel de laagste als de hoogste inkomens betalen zo een marginaal tarief van nul procent. Wie meer gaat verdienen, betaalt aanvankelijk ook meer belasting, maar komt met de top van zijn inkomen op een gegeven moment juist terecht in een dalende belastingdruk. De prikkel om meer te gaan verdienen, staat hier gelijk aan de prikkel om over de 'hobbel' in het belastingtarief heen te komen, waarna het klimaat om bijvoorbeeld te gaan ondernemen geleidelijk aan vriendelijker wordt - hetgeen voor de maatschappij als geheel wordt verondersteld te leiden tot een hogere welvaart.

Volgens Van Damme zijn de bevindingen van Vickrey en Mirrlees op dit moment zeer actueel in Nederland. Hoewel de aanstaande veiling van verscheidene commerciële etherfrequenties door de overheid zich volgens van Damme minder goed leent voor een Vickrey-veiling (een soortgelijke veiling in Nieuw-Zeeland mislukte onlangs), is de veiling van de nieuwe, derde, licensie voor mobiele telefonie begin volgend jaar dat wel. En op dit moment woedt er in het parlement een discussie over de hoogste schijf van de inkomstenbelasting.

Vickrey voegde daar gisteren nog een actuele noot aan toe, door het streven naar een gebalanceerde begroting in de Westerse landen te hekelen. De Economische en Monetaire Unie noemde hij in dit verband bij de huidige hoge werkloosheid “onzinnig”.